Oefenopgaven AP Statistics: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 14 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

Lineaire regressie en correlatie

Kwadratensommen
Sxx = Σ(x − x̄)² = Σx² − (Σx)²/n, Sxy = Σxy − ΣxΣy/n
Helling
b = Sxy/Sxx
Snijpunt met de y-as
a = ȳ − b·x̄
Correlatie
r = Sxy/√(SxxSyy)
Residu
e = y − ŷ

Betrouwbaarheidsintervallen

σ bekend
x̄ ± z·σ/√n
σ onbekend
x̄ ± t·s/√n, df = n − 1
Kritieke z
90%: 1,645, 95%: 1,96, 99%: 2,576
Steekproefomvang
n = (z·σ/E)², rounded up

Methode

  1. Kies tussen z (σ van de populatie bekend) en t (alleen de steekproef-s, met n − 1 vrijheidsgraden).
  2. Zoek de kritieke waarde bij het betrouwbaarheidsniveau.
  3. Foutmarge: E = kritieke waarde × standaardafwijking/√n.
  4. Interval: x̄ ± E.

Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

z-toets voor een gemiddelde
z = (x̄ − μ0)/(σ/√n)
t-toets voor een gemiddelde
t = (x̄ − μ0)/(s/√n), df = n − 1
Tweezijdig bij 5%
verwerp H0 als |z| > 1,96
Betrouwbaarheidsinterval
x̄ ± z·σ/√n

Methode

  1. Formuleer H₀ en H₁ en bepaal of de toets een- of tweezijdig is.
  2. Bereken de toetsingsgrootheid: (x̄ − μ₀)/(σ/√n), of met s en t.
  3. Vergelijk met de kritieke waarde, of bepaal de p-waarde.
  4. Verwerp H₀ als de toetsingsgrootheid voorbij de kritieke waarde ligt (p kleiner dan α), en formuleer de conclusie in woorden.

Chikwadraattoetsen

Toetsingsgrootheid
χ² = Σ(O − E)²/E
Aanpassingstoets
E = n·p, df = k − 1 − (estimated parameters)
Onafhankelijkheid
E = row total × column total / grand total, df = (r − 1)(c − 1)
Kritieke waarden (α = 0,05)
df 1: 3,841, 2: 5,991, 3: 7,815, 4: 9,488
Beslissing
verwerp H0 als χ² > χ²crit

2Oefenopgaven

1.Beschrijvende statistiekGemiddeld
1520253035404550

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 52, 11, 42, 51, 21, 18.

n = 6
s =
2.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Een grootheid is normaal verdeeld met gemiddelde 70 en standaardafwijking 20. Welk deel P van de waarden ligt boven 82?

μ = 70σ = 20x = 82
P =
3.KansrekeningGemiddeld
xp(x)10,1520,2530,340,2550,05μ = 2,8

Bepaal voor de getoonde verdeling de standaardafwijking σ van X.

x: 1, 2, 3, 4, 5p(x): 0,15, 0,25, 0,3, 0,25, 0,05
σ =
4.KansrekeningMoeilijk
xp(x)100,3200,15300,3400,25μ

X heeft de getoonde verdeling, en Y = 2X + 10. Bepaal de standaardafwijking σY van Y.

x: 10, 20, 30, 40p(x): 0,3, 0,15, 0,3, 0,25Y = 2X + 10
σY =
5.Normale verdelingGemiddeld
60 kg57,3 kgT = X₁ + … + X₅?

De massa's van dozen zijn onafhankelijk en normaal verdeeld met gemiddelde 12 kg en standaardafwijking 0,8 kg. Bepaal de kans P dat de totale massa van 5 ervan groter is dan 57,3 kg. Rond z af op twee decimalen.

μ = 12 kgσ = 0,8 kgn = 5> 57,3 kg
P =
6.Normale verdelingMoeilijk
μ = 250x = ?75%

De gewichten van zakken zijn normaal verdeeld met gemiddelde 250 g en standaardafwijking 5 g. Bereken de waarde x waaronder 75% ervan ligt (het 75e percentiel).

μ = 250σ = 5P = 75%
x = g
7.Lineaire regressie en correlatieGemiddeld
xy2541162182610301236xy510102030

De tabel geeft 6 gepaarde waarnemingen van x = belasting in kN en y = verlenging in mm. Hun sommen zijn gegeven. Bereken uit deze sommen de correlatiecoëfficiënt van Pearson r.

n = 6Σx = 42Σy = 129Σx² = 364Σy² = 3459Σxy = 1120
r =
8.Lineaire regressie en correlatieMoeilijk
xy36457178498511103xy51080100ŷ = 77

De tabel geeft 5 gepaarde waarnemingen van x = aantal uren gestudeerd en y = tentamencijfer. Gebruik de kleinstekwadratenlijn ŷ = a + b·x. Voor welke waarde x voorspelt de lijn ŷ = 77?

n = 5ŷ = 77
x =
9.BetrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
μ₁ − μ₂0L = ?Ux̄₁ − x̄₂E95%

De batterijduur van twee telefoonmodellen wordt vergeleken. Model 1: 100 telefoons, gemiddelde 113,5 h, bekende standaardafwijking 14 h. Model 2: 30 telefoons, gemiddelde 116,5 h, bekende standaardafwijking 7 h. Bereken de ondergrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor μ₁ − μ₂.

n₁ = 100x̄₁ = 113,5 hσ₁ = 14 hn₂ = 30x̄₂ = 116,5 hσ₂ = 7 h95%
ondergrens = h
10.BetrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
σ = 19, n = ?x̄ − Ex̄ + Ex̄E = 2,595%

De standaardafwijking van de populatie is 19. Hoe groot moet de steekproef n zijn zodat een 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde een foutmarge van hoogstens 2,5 heeft?

σ = 19E = 2,595%
n =
11.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
t −1,99801,998

Een steekproef van 64 studenten heeft een gemiddelde score van 71,5 en een steekproefstandaardafwijking van 20. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 75.

μ₀ = 75x̄ = 71,5s = 20n = 64
t =
12.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
μ₀x̄c

Een eenzijdige z-toets van H₀: μ = 200 tegen H₁: μ > 200 wordt uitgevoerd bij α = 0,05 met een steekproef van 100; de standaardafwijking is bekend en is 15. In werkelijkheid is het gemiddelde 203,75. Bereken de kans op een fout van de tweede soort β in procenten.

μ₀ = 200μ = 203,75σ = 15n = 100α = 0,05
β = %
13.ChikwadraattoetsenGemiddeld
busfietsautoTotaalstudenten252649100personeel15301560Totaal405664160

De kruistabel toont waargenomen aantallen. Bereken de chikwadraatgrootheid χ² voor de toets op onafhankelijkheid tussen de rij- en kolomvariabele. Gebruik geen continuïteitscorrectie.

N = 1602 × 3
χ² =
14.ChikwadraattoetsenMoeilijk
geslaagdgezaktTotaalleeftijd 18–305446100leeftijd 31–505248100leeftijd 51+621880Totaal168112280dfα = 0,05α = 0,0113,8416,63525,9919,21037,81511,34549,48813,277511,07015,086612,59216,812714,06718,475815,50720,090916,91921,6661018,30723,209

De tabel toont waargenomen aantallen. Toets bij α = 0,01 of de twee variabelen onafhankelijk zijn (zonder continuïteitscorrectie). Bereken de toetsingsgrootheid χ² en vergelijk die daarna met de kritieke waarde uit de tabel.

N = 2803 × 2α = 0,01
χ² =

3Oplossingen

1.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 17,99

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 195/6 = 32,5

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = 19,5² + (−21,5)² + 9,5² + 18,5² + (−11,5)² + (−14,5)² = 1618

Standaardafwijking

s = √(1618/5) = 17,99

Antwoord

s = 17,99
2.Beschrijvende statistiek

Antwoord: P = 0,2743

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = 0,6

Tabel standaardnormale verdeling

Φ(0,6) = 0,7257
P = 1 − 0,7257 = 0,2743

Antwoord

P = 0,2743
3.Kansrekening

Antwoord: σ = 1,122

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Gemiddelde

μ = 1·0,15 + 2·0,25 + 3·0,3 + 4·0,25 + 5·0,05 = 2,8

Gemiddelde van de kwadraten

E(X²) = 1·0,15 + 4·0,25 + 9·0,3 + 16·0,25 + 25·0,05 = 9,1

Variantie

Var(X) = 9,1 − 2,8² = 1,26
σ = √1,26 = 1,122

Antwoord

σ = 1,122
4.Kansrekening

Antwoord: σY = 23,24

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Spreiding van X

μ = 25, Var(X) = 135, σX = 11,62

Lineaire transformatie

σY = |2|·11,62 = 23,24

Antwoord

σY = 23,24

Het gemiddelde verschuift wel: E(Y) = 2·25 + 10 = 60.

5.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,9345

Sommen en verschillen van normale variabelen: als X en Y onafhankelijk en normaal verdeeld zijn, zijn X + Y en X − Y ook normaal verdeeld. Gemiddelden tellen op of worden afgetrokken: E(X ± Y) = μX ± μY. Varianties tellen altijd op, ook bij een verschil: Var(X ± Y) = σX² + σY², dus σ = √(σX² + σY²). Standaardafwijkingen tellen nooit rechtstreeks op. Het totaal van n onafhankelijke items met dezelfde verdeling heeft gemiddelde n·μ en standaardafwijking σ·√n. Standaardiseer daarna zoals gewoonlijk: z = (x − gemiddelde)/σ en lees Φ(z) af.

Verdeling van het totaal

μT = 60 kg, σT = 0,8·√5 = 1,789 kg

Standaardiseren

z = (57,3 − 60)/1,789 = −1,51

Kansrekening

P = 1 − Φ(−1,51) = 0,9345

Antwoord

P = 0,9345
6.Normale verdeling

Antwoord: x = 253,4 g

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z voor het percentiel

Φ(z) = 0,75 → z = 0,6745

Terug naar x

x = 250 + 0,6745·5 = 253,37 g

Antwoord

x = 253,37 g
7.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: r = 0,9906

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gecentreerde sommen

Sxy = 1120 − 42·129/6 = 217
Sxx = 364 − 42²/6 = 70
Syy = 3459 − 129²/6 = 685,5

Correlatiecoëfficiënt

r = 217/√(70·685,5) = 0,9906

Antwoord

r = 0,9906
8.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: x = 6,043

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 35/5 = 7
ȳ = 407/5 = 81,4

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 40
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 184

Regressielijn

b = 184/40 = 4,6
a = 81,4 − 4,6·7 = 49,2
ŷ = 49,2 + 4,6·x

Los op naar x

x = (77 − 49,2)/4,6 = 6,043

Antwoord

x = 6,043
9.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: ondergrens = −6,715 h

Interval for a difference: estimate ± critical value × standard error. For two independent means with known σ: SE = √(σ₁²/n₁ + σ₂²/n₂) and z. With equal unknown variances: pooled s_p and t with n₁ + n₂ − 2 degrees of freedom. For paired data, work with the differences: d̄ ± t·s_d/√n.

Puntschatting

x̄₁ − x̄₂ = 113,5 − 116,5 = −3

Standaardfout

SE = √(14²/100 + 7²/30) = 1,896

Foutmarge

E = 1,96·1,896 = 3,715

Interval

−3 ± 3,715 → [−6,715, 0,7154]

Antwoord

ondergrens = −6,715 h

Het interval bevat 0, dus de data laten geen significant verschil zien.

10.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 222

Betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde: x̄ ± foutmarge. Met een bekende populatie-σ is de marge z·σ/√n; heb je alleen de steekproefstandaardafwijking s, gebruik dan t met n − 1 vrijheidsgraden: t·s/√n. Kritieke waarden: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). Voor een marge van E of kleiner heb je n ≥ (z·σ/E)² nodig, naar boven afgerond.

n oplossen

n = (1,96·19/2,5)² = 221,9

Naar boven afronden

Een steekproefomvang is een geheel getal, en naar beneden afronden zou de marge te groot maken.

n = 222

Antwoord

n = 222
11.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: t = −1,4

Toetsen van een gemiddelde: de toetsingsgrootheid meet hoeveel standaardfouten het steekproefgemiddelde van de waarde in H₀ af ligt: z = (x̄ − μ₀)/(σ/√n) als σ bekend is, t = (x̄ − μ₀)/(s/√n) als die uit de steekproef wordt geschat. Een betrouwbaarheidsinterval is x̄ ± (kritieke waarde)·(standaardfout).

Standaardfout

SE = 20/√64 = 20/8 = 2,5

Toetsingsgrootheid

t = (71,5 − 75)/2,5 = −1,4

Antwoord

t = −1,4
t0,025; df = 63 = 1,998

|t| < 1.998, dus H₀ wordt niet verworpen op het 5%-niveau (tweezijdig).

12.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: β = 19,63 %

Onderscheidend vermogen van een toets: het onderscheidend vermogen 1 − β is de kans dat H₀ wordt verworpen als die onwaar is. Bepaal de grens x̄c uit μ₀ en z_α, en bereken dan met het ware gemiddelde de kans om voorbij x̄c uit te komen: z = (x̄c − μ)/(σ/√n).

Kritiek steekproefgemiddelde

SE = 15/√100 = 1,5
x̄c = 200 + 1,645·1,5 = 202,5

z onder het ware gemiddelde

z = (202,5 − 203,75)/1,5 = −0,855

Fout van de tweede soort

onderscheidend vermogen = P(Z > −0,855) = 80,37%
β = 100% − 80,37% = 19,63%

Antwoord

β = 19,63%
13.Chikwadraattoetsen

Antwoord: χ² = 11,57

Chikwadraattoetsen: vergelijk waargenomen aantallen O met de onder H₀ verwachte aantallen E met χ² = Σ(O − E)²/E. Aanpassingstoets: E = n·p voor elke categorie, df = k − 1 (en nog één minder voor elke parameter die uit de data is geschat). Onafhankelijkheid in een r × c-tabel: E = rijtotaal × kolomtotaal / totaal, df = (r − 1)(c − 1). Verwerp H₀ als χ² groter is dan de kritieke waarde bij de gekozen α.

Verwachte aantallen

studenten: 100·40/160 = 25, 100·56/160 = 35, 100·64/160 = 40
personeel: 60·40/160 = 15, 60·56/160 = 21, 60·64/160 = 24

Chikwadraatgrootheid

χ² = (25 − 25)²/25 + (26 − 35)²/35 + (49 − 40)²/40 + (15 − 15)²/15 + (30 − 21)²/21 + (15 − 24)²/24
χ² = 11,57

Antwoord

χ² = 11,57

df = 2. Bij α = 0,05 is de kritieke waarde 5,991, dus H₀ (onafhankelijkheid) wordt verworpen.

14.Chikwadraattoetsen

Antwoord: χ² = 14,38

Chikwadraattoetsen: vergelijk waargenomen aantallen O met de onder H₀ verwachte aantallen E met χ² = Σ(O − E)²/E. Aanpassingstoets: E = n·p voor elke categorie, df = k − 1 (en nog één minder voor elke parameter die uit de data is geschat). Onafhankelijkheid in een r × c-tabel: E = rijtotaal × kolomtotaal / totaal, df = (r − 1)(c − 1). Verwerp H₀ als χ² groter is dan de kritieke waarde bij de gekozen α.

Verwachte aantallen

leeftijd 18–30: 60, 40
leeftijd 31–50: 60, 40
leeftijd 51+: 48, 32

Chikwadraatgrootheid

χ² = (54 − 60)²/60 + (46 − 40)²/40 + (52 − 60)²/60 + (48 − 40)²/40 + (62 − 48)²/48 + (18 − 32)²/32
χ² = 14,38

Beslissing

df = 2, χ²crit = 9,210
14,38 > 9,210

Antwoord

χ² = 14,38

χ² ligt boven de kritieke waarde, dus H₀ wordt verworpen: de variabelen lijken samen te hangen.

ExamProblems · examproblems.com/courses/ap-statistics-practice