Gebruik de knooppuntmethode om de knooppuntspanning VB (gemeten ten opzichte van massa) te vinden.
V1 = 9 VIs = 5 AR1 = 5 ΩR2 = 2 ΩR3 = 5 ΩR4 = 10 Ω
VB = V
4.KnooppuntmethodeMoeilijk
De spanningsbron Vₛ tussen A en B heeft haar +-klem bij A, dus ze legt VA − VB = Vₛ vast. Gebruik de knooppuntmethode met een superknooppunt om de stroom IR1 door R1 in de richting van de pijl te vinden.
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de energie W die op t = 2 ms in de spoel is opgeslagen, in mJ.
Vs = 5 VR = 22 ΩL = 33 mHt = 2 ms
W = mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Een timer begint op t = 0 een ongeladen condensator via een weerstand op te laden uit een voeding van 12 V. Hij moet schakelen als de condensatorspanning 10,8 V bereikt, precies 20 ms na de start. Vind met R = 47 kΩ de benodigde capaciteit C.
Vs = 12 VVth = 10,8 VT = 20 msR = 47 kΩ
C = µF
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een weerstand en een spoel zijn parallel aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 60 Hz. Vind de fasehoek φ van de impedantie, in graden (positief als de stroom achterloopt op de spanning).
V = 100 V (rms)f = 60 HzR = 20 ΩL = 50 mH
φ = °
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 10 V (rms), 500 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 10 V (rms)f = 500 HzR = 40 ΩL = 50 mHC = 100 µF
I = A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een eenfasige motor neemt 20 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een voeding van 230 V. Vind de lijnstroom I.
P = 20 kWpf = 0,75V = 230 V
I = A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige transformator van 150 kVA voedt een belasting van 68 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,6. Hoeveel extra werkelijk vermogen ΔP kan er als resistieve belasting (arbeidsfactor 1) worden bijgeplaatst voordat de transformator zijn nominale kVA bereikt?
Smax = 150 kVAP1 = 68 kWpf1 = 0,6
ΔP = kW
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een symmetrische, in driehoek geschakelde belasting met een impedantie van 12 + j9 Ω per fase is aangesloten op een symmetrisch draaistroomnet met een lijnspanning van 415 V. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.
VL = 415 VZ = 12 + j9 Ω per fase
P = kW
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 150 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een net van 480 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,95 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 150 kWpf1 = 0,75pf2 = 0,95VL = 480 Vf = 50 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Over de secundaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 2:1 is een weerstand van 8 Ω aangesloten. Vind de weerstand R1′ gezien vanaf de primaire wikkeling.
N1:N2 = 2:1RL = 8 Ω
R1′ = Ω
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 25 kVA heeft een ijzerverlies van 150 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,8 is het rendement 98%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 25 kVAPcore = 150 Wpf = 0,8η = 98%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,3824 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 5 + 8 = 13 Ω
R2 ∥ 13 = 6·13/(6+13) = 4,105 Ω
Req = R1 + 4,105 = 12 + 4,105 = 16,11 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 9/16,11 = 0,5588 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 9 − 0,5588·12 = 2,294 V
IR2 = VA/R2 = 2,294/6 = 0,3824 A
Antwoord
IR2 = 0,3824 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,4236 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 6 + 20 = 26 Ω
R4 ∥ 26 = 3,467 Ω
R3 + 3,467 = 7,467 Ω
R2 ∥ 7,467 = 3,327 Ω
Req = R1 + 3,327 = 25 + 3,327 = 28,33 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 12/28,33 = 0,4236 A
Antwoord
IR1 = 0,4236 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: VB = 21,13 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 9 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/2 + (VA − 9)/5 + (VA − VB)/5 = 0
0,9·VA − 0,2·VB = 1,8
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/10 + (VB − VA)/5 = 5
−0,2·VA + 0,3·VB = 5
Oplossen
Δ = (0,9)(0,3) − (−0,2)(−0,2) = 0,23
VA = Δ1/Δ = 1,54/0,23 = 6,696 V
VB = Δ2/Δ = 4,86/0,23 = 21,13 V
Antwoord
VB = 21,13 V
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR1 = 0,8974 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Vorm een superknooppunt
De spanningsbron tussen A en B voert een onbekende stroom, dus je kunt de stroomwet niet afzonderlijk in A of B opschrijven. Neem A, B en de bron samen in één superknooppunt: de stroom die erin gaat is gelijk aan de stroom die eruit komt.
VB = VA − 5
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + VB/R3 = Is
Oplossen
(VA − 15)/4 + VA/15 + (VA − 5)/3 = 2
VA·(1/4 + 1/15 + 1/3) = 2 + 15/4 + 5/3 = 7,417
VA = 7,417/0,65 = 11,41 V
VB = 6,41 V
Stroom door R₁
IR1 = (V1 − VA)/R1 = (15 − 11,41)/4 = 0,8974 A
Antwoord
IR1 = 0,8974 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
5.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 3,375 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 10·6/(10+6) = 3,75 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 3,75 + 3 = 6,75 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 9·6/(10+6) = 3,375 V
6.Thévenin en Norton
Antwoord: PL = 242,7 W
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 8·25/(8+25) = 6,061 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 6,061 + 30 = 36,06 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 7,576 + 5·6,061 = 37,88 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 37,88 + 5·30 = 187,9 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 187,9/(36,06 + 30) = 2,844 A
PL = IL²·RL = 2,844²·30 = 242,7 W
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: W = 0,4622 mJ
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 33 mH / 22 Ω = 1,5 ms
i(∞) = Vs/R = 5/22 = 0,2273 A
Stroom op het gegeven tijdstip
i(t) = 0,2273·(1 − e−2/1,5) = 0,1674 A
Opgeslagen energie
W = ½·L·i² = ½·33·0,1674² = 0,4622 mJ
Antwoord
W = 0,4622 mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: C = 0,1848 µF
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactantie
XL = ωL = 2π·60·0,05 = 18,85 Ω
Takstromen
Beide takken zijn rechtstreeks op de voeding aangesloten, dus elke tak krijgt de volle spanning V.
IR = V/R = 100/20 = 5 A
IX = V/XL = 100/18,85 = 5,305 A
Totale stroom
De stroom door de weerstand is in fase met V en de reactieve stroom is 90° uit fase, dus ze tellen op als de zijden van een rechthoekige driehoek.
I = √(IR² + IX²) = √(5² + 5,305²) = 7,29 A
Fasehoek
De spoelstroom ijlt na op V, dus de totale stroom ijlt na en de hoek is positief.
φ = arctan(IX/IR) = arctan(5,305/5) = 46,7°
Antwoord
φ = 46,7°
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 0,06289 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·500 = 3142 rad/s
XL = ωL = 3142·0,05 = 157,1 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(3142·100·10⁻⁶) = 3,183 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 10/159 = 0,06289 A
Antwoord
I = 0,06289 A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 115,9 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Lijnstroom
Alleen het werkelijke deel van het vermogen doet werk, dus deel door de arbeidsfactor.
I = P/(V·cos φ) = 20000/(230·0,75) = 115,9 A
Antwoord
I = 115,9 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: ΔP = 51,5 kW
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van de bestaande belasting
Q1 = 68·tan(arccos 0,6) = 90,67 kvar
Grootste totale werkelijk vermogen
Bij volle belasting is S = Smax, en Q verandert niet door de resistieve belasting.
P = √(Smax² − Q1²) = √(150² − 90,67²) = 119,5 kW
Extra werkelijk vermogen
ΔP = 119,5 − 68 = 51,5 kW
Antwoord
ΔP = 51,5 kW
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: P = 27,56 kW
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Fasespanning
Vph = VL = 415 V
Fasestroom
|Z| = √(12² + 9²) = 15 Ω
Iph = 415/15 = 27,67 A
Totaal werkelijk vermogen
Alleen het resistieve deel van elke impedantie neemt werkelijk vermogen op.
P = 3·Iph²·R = 3·27,67²·12 = 27,56 kW
Antwoord
P = 27,56 kW
Controle: cos φ = R/|Z| = 0,8, en √3·VL·IL·cos φ geeft hetzelfde vermogen.
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 382,2 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 150·tan(acos 0,75) = 150·0,8819 = 132,3 kvar
Q2 = 150·tan(acos 0,95) = 150·0,3287 = 49,3 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 82,98 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Overgebrachte weerstand
De spanning gaat omhoog met a en de stroom omlaag met a, dus de verhouding V/I gaat omhoog met a².
R1′ = a²·RL = 2²·8 = 32 Ω
Antwoord
R1′ = 32 Ω
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 258,2 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.