De stroombron wordt bijgesteld tot de knooppuntspanning in A gelijk is aan VA = 6 V. Gebruik de knooppuntmethode om de bronstroom Is te vinden (richting zoals getekend).
V1 = 5 VR1 = 30 ΩR2 = 5 ΩR3 = 2 ΩR4 = 6 ΩVA = 6 V
Is = A
5.Thévenin en NortonGemiddeld
Een belasting RL = 12 Ω is aangesloten over a–b. Vervang de rest van de schakeling door het Thévenin-equivalent en vind de belastingsstroom IL.
V1 = 30 VR1 = 12 ΩR2 = 2 ΩR3 = 20 ΩRL = 12 Ω
IL = A
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 6 VIs = 2 AR1 = 2 ΩR2 = 25 ΩR3 = 15 Ω
Vth = V
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Hoe lang na het sluiten van de schakelaar bereikt de stroom 50% van zijn eindwaarde? Vind t.
Vs = 12 VR = 100 ΩL = 22 mH
t = ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
De schakelaar over R2 is al lang open, dus de spoelstroom is constant. Op t = 0 sluit de schakelaar en sluit R2 kort. Vind de spoelstroom i op t = 10 ms.
Vs = 12 VR1 = 15 ΩR2 = 33 ΩL = 68 mHt = 10 ms
i = A
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling met C = 4,7 µF moet resoneren bij 200 Hz. Vind de benodigde zelfinductie L.
f0 = 200 HzC = 4,7 µF
L = mH
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 230 V (rms), 200 Hz. Vind de effectieve spanning VC over de condensator.
V = 230 V (rms)f = 200 HzR = 15 ΩL = 150 mHC = 22 µF
VC = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 230 V: een belasting van 9 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,6 en een verwarmingselement van 14 kW (arbeidsfactor 1). Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 35 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,6 uit een voeding van 240 V, 60 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,9. Vind het blindvermogen QC dat de condensator moet leveren.
P = 35 kWpf1 = 0,6pf2 = 0,9V = 240 Vf = 60 Hz
QC = kvar
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 30 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 94% en de arbeidsfactor 0,9 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 480 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 30 kWη = 94%cos φ = 0,9VL = 480 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 50 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een net van 690 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,95 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 50 kWpf1 = 0,75pf2 = 0,95VL = 690 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Een versterker met een uitgangsweerstand van 45 Ω stuurt via een ideale transformator een luidspreker van 5 Ω aan. Voor maximale vermogensoverdracht moet de luidspreker er vanaf de versterker uitzien als 45 Ω. Vind de wikkelverhouding a = N₁/N₂.
Rs = 45 ΩRL = 5 Ω
a =
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 150 kVA heeft een ijzerverlies van 750 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,8 is het rendement 98,2%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 150 kVAPcore = 750 Wpf = 0,8η = 98,2%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,3512 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 3 + 6 = 9 Ω
R2 ∥ 9 = 15·9/(15+9) = 5,625 Ω
Req = R1 + 5,625 = 20 + 5,625 = 25,63 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 9/25,63 = 0,3512 A
Antwoord
IR1 = 0,3512 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,1191 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 2 + 12 = 14 Ω
R4 ∥ 14 = 6,462 Ω
R3 + 6,462 = 21,46 Ω
R2 ∥ 21,46 = 12,51 Ω
Req = R1 + 12,51 = 5 + 12,51 = 17,51 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 5/17,51 = 0,2855 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 5 − 0,2855·5 = 3,572 V
IR2 = VA/R2 = 3,572/30 = 0,1191 A
Antwoord
IR2 = 0,1191 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: VA = 6,261 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 6 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/10 + (VA − 6)/10 + (VA − VB)/6 = 0
0,3667·VA − 0,1667·VB = 0,6
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/12 + (VB − VA)/6 = 1,5
−0,1667·VA + 0,25·VB = 1,5
Oplossen
Δ = (0,3667)(0,25) − (−0,1667)(−0,1667) = 0,06389
VA = Δ1/Δ = 0,4/0,06389 = 6,261 V
VB = Δ2/Δ = 0,65/0,06389 = 10,17 V
Antwoord
VA = 6,261 V
4.Knooppuntmethode
Antwoord: Is = 2,644 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
VA is bekend, dus deze vergelijking geeft VB.
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + (VA − VB)/R3 = 0
(6 − 5)/30 + 6/5 = (VB − 6)/2
1,233 = (VB − 6)/2 → VB = 8,467 V
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten zijn gelijk aan de stroom die bronnen B in duwen.
Is = (VB − VA)/R3 + VB/R4 = (8,467 − 6)/2 + 8,467/6 = 2,644 A
Antwoord
Is = 2,644 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,1271 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 12·2/(12+2) = 1,714 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,714 + 20 = 21,71 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 30·2/(12+2) = 4,286 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 4,286/(21,71 + 12) = 0,1271 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = −28,15 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 2·25/(2+25) = 1,852 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,852 + 15 = 16,85 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 5,556 + (−2)·1,852 = 1,852 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 1,852 + (−2)·15 = −28,15 V
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: t = 0,1525 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 22 mH / 100 Ω = 0,22 ms
i(∞) = Vs/R = 12/100 = 0,12 A
Los op naar de tijd
0,5 = 1 − e−t/τ → t = −τ·ln(1 − 0,5)
t = −0,22·ln(0,5) = 0,1525 ms
Antwoord
t = 0,1525 ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i = 0,7394 A
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
Vóór t = 0 zitten beide weerstanden in de kring; daarna overbrugt de gesloten schakelaar R₂.
i(0) = 12/(15 + 33) = 0,25 A
i(∞) = 12/15 = 0,8 A
τ = L/R = 68/15 = 4,533 ms
i(t) = 0,8 + (0,25 − 0,8)·e−t/τ
Stroom op het gegeven tijdstip
i(10) = 0,8 + (−0,55)·e−10/4,533 = 0,7394 A
Antwoord
i = 0,7394 A
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: L = 134,7 mH
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantievoorwaarde
Bij resonantie heffen de inductieve en capacitieve reactantie elkaar op: ωL = 1/(ωC).
ω₀ = 2π·200 = 1257 rad/s
L = 1/(ω₀²·C) = 1/(1257²·4,7·10⁻⁶) = 134,7 mH
Antwoord
L = 134,7 mH
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VC = 54,35 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·200 = 1257 rad/s
XL = ωL = 1257·0,15 = 188,5 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(1257·22·10⁻⁶) = 36,17 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 230/153,1 = 1,503 A
Spanning over de condensator
VC = I·XC = 1,503·36,17 = 54,35 V
Antwoord
VC = 54,35 V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 112,8 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 9·tan(arccos 0,6) = 12 kvar
Q2 = 0 = 0 kvar
Totalen
P = 9 + 14 = 23 kW
Q = 12 + 0 = 12 kvar
S = √(23² + 12²) = 25,94 kVA
Totale stroom
I = S/V = 25942/230 = 112,8 A
Antwoord
I = 112,8 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: QC = 29,72 kvar
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 35·tan(53,13°) = 46,67 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 35·tan(25,84°) = 16,95 kvar
QC = Q1 − Q2 = 29,72 kvar
Antwoord
QC = 29,72 kvar
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 42,65 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 30/0,94 = 31,91 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 31915/(√3·480·0,9) = 42,65 A
Antwoord
IL = 42,65 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 154,1 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 50·tan(acos 0,75) = 50·0,8819 = 44,1 kvar
Q2 = 50·tan(acos 0,95) = 50·0,3287 = 16,43 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 27,66 kvar
Capaciteit per fase
In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Pas de overgebrachte belasting aan
a²·5 = 45
a = √(45/5) = √9 = 3
Antwoord
a = 3
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 1450 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.