Vind de Thévenin-weerstand Rth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 6 VR1 = 15 ΩR2 = 6 ΩR3 = 15 Ω
Rth = Ω
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Norton-stroom IN: de stroom die van a naar b loopt als de klemmen kortgesloten zijn.
V1 = 5 VIs = 6 AR1 = 8 ΩR2 = 6 ΩR3 = 2 Ω
IN = A
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de spanning vL over de spoel op t = 5 ms.
Vs = 24 VR = 47 ΩL = 220 mHt = 5 ms
vL = V
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 5 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Vind de condensatorspanning vC op t = 750 ms.
Vs = 10 VR = 4,7 kΩC = 68 µFvC(0) = 5 Vt = 750 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 10 V (rms), 60 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 10 V (rms)f = 60 HzR = 100 ΩL = 200 mHC = 47 µF
I = A
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling wordt gevoed door een bron van 10 V (rms) waarvan de frequentie is ingesteld op de resonantiefrequentie van de schakeling. Vind de effectieve spanning VL over de spoel.
V = 10 V (rms)R = 10 ΩL = 20 mHC = 4,7 µF
VL = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een belasting met impedantie Z = 6 + j8 Ω is aangesloten op een eenfasige voeding van 230 V (rms). Vind het blindvermogen Q dat ze opneemt.
V = 230 VZ = 6 + j8 Ω
Q = var
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige belasting neemt 20 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een voeding van 400 V, 50 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,95. Vind de benodigde capaciteit C.
P = 20 kWpf1 = 0,75pf2 = 0,95V = 400 Vf = 50 Hz
C = µF
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 110 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 92% en de arbeidsfactor 0,9 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 415 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 110 kWη = 92%cos φ = 0,9VL = 415 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 60 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 400 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,95 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 60 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,95VL = 400 Vf = 50 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Een versterker met een uitgangsweerstand van 2304 Ω stuurt via een ideale transformator een luidspreker van 16 Ω aan. Voor maximale vermogensoverdracht moet de luidspreker er vanaf de versterker uitzien als 2304 Ω. Vind de wikkelverhouding a = N₁/N₂.
Rs = 2304 ΩRL = 16 Ω
a =
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 75 kVA heeft een ijzerverlies van 375 W en een koperverlies van 1125 W bij nominale belasting. Bij welke belasting Sη,max, in kVA, is het rendement het hoogst?
S = 75 kVAPcore = 375 WPcu,fl = 1125 W
Sη,max = kVA
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 10,22 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 20 + 20 = 40 Ω
R2 ∥ 40 = 6·40/(6+40) = 5,217 Ω
Req = R1 + 5,217 = 5 + 5,217 = 10,22 Ω
Antwoord
Req = 10,22 Ω
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 5,707 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 2 + 10 = 12 Ω
R4 ∥ 12 = 6 Ω
R3 + 6 = 10 Ω
R2 ∥ 10 = 2,308 Ω
Req = R1 + 2,308 = 4 + 2,308 = 6,308 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 36/6,308 = 5,707 A
Antwoord
IR1 = 5,707 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: IR1 = 1,111 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 30 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/6 + (VA − 30)/12 + (VA − VB)/2 = 0
0,75·VA − 0,5·VB = 2,5
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/15 + (VB − VA)/2 = 3
−0,5·VA + 0,5667·VB = 3
Oplossen
Δ = (0,75)(0,5667) − (−0,5)(−0,5) = 0,175
VA = Δ1/Δ = 2,917/0,175 = 16,67 V
VB = Δ2/Δ = 3,5/0,175 = 20 V
Antwoord
IR1 = (V1 − VA)/R1 = (30 − 16,67)/12 = 1,111 A
4.Knooppuntmethode
Antwoord: VA = −1,718 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 12 V, V2 = −36 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/25 + (VA − 12)/8 + (VA − VB)/20 = 0
0,215·VA − 0,05·VB = 1,5
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R5 + (VB − VA)/R2 + (VB − V2)/R4 = Is
VB/20 + (VB − VA)/20 + (VB − (−36))/4 = (−4)
−0,05·VA + 0,35·VB = −13
Oplossen
Δ = (0,215)(0,35) − (−0,05)(−0,05) = 0,07275
VA = Δ1/Δ = −0,125/0,07275 = −1,718 V
VB = Δ2/Δ = −2,72/0,07275 = −37,39 V
Antwoord
VA = −1,718 V
5.Thévenin en Norton
Antwoord: Rth = 19,29 Ω
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 15·6/(15+6) = 4,286 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,286 + 15 = 19,29 Ω
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IN = −5,605 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 8·6/(8+6) = 3,429 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 3,429 + 2 = 5,429 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 2,143 + (−6)·3,429 = −18,43 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = −18,43 + (−6)·2 = −30,43 V
Norton-equivalent
Een Norton-bron is dezelfde schakeling, gezien als een stroombron parallel aan R_th. De stroom is de kortsluitstroom tussen a–b.
IN = Vth/Rth = −30,43/5,429 = −5,605 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vL = 8,247 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 220 mH / 47 Ω = 4,681 ms
i(∞) = Vs/R = 24/47 = 0,5106 A
Spoelspanning
Op t = 0 staat de hele voedingsspanning over de spoel; daarna neemt die af tot nul.
vL(t) = Vs·e−t/τ = 24·e−5/4,681 = 8,247 V
Antwoord
vL = 8,247 V
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 9,522 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
vC(0) = 5 V, vC(∞) = Vs = 10 V
τ = R·C = 4,7 kΩ · 68 µF = 319,6 ms
vC(t) = 10 + (5 − 10)·e−t/τ
Spanning op het gegeven tijdstip
vC(750) = 10 + (−5)·e−750/319,6 = 9,522 V
Antwoord
vC = 9,522 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 0,09825 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·60 = 377 rad/s
XL = ωL = 377·0,2 = 75,4 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(377·47·10⁻⁶) = 56,44 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 10/101,8 = 0,09825 A
Antwoord
I = 0,09825 A
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VL = 65,23 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de reactanties elkaar op, dus de impedantie is gewoon R.
ω₀ = 1/√(LC) = 1/√(0,02·4,7·10⁻⁶) = 3262 rad/s
I = V/R = 10/10 = 1 A
Spanning over de spoel
XL = ω₀L = 3262·0,02 = 65,23 Ω
VL = I·XL = 1·65,23 = 65,23 V
Antwoord
VL = 65,23 V
Dit is Q = 6,523 keer de voedingsspanning.
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: Q = 4232 var
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Stroom
|Z| = √(6² + 8²) = 10 Ω
I = V/|Z| = 230/10 = 23 A
Blindvermogen
Q = I²·X = 23²·8 = 4232 var
Antwoord
Q = 4232 var
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: C = 220,1 µF
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 20·tan(41,41°) = 17,64 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 20·tan(18,19°) = 6,574 kvar
QC = Q1 − Q2 = 11,06 kvar
Capaciteit
Een condensator over de voeding levert Q = V²·ωC.
C = QC/(2πf·V²) = 11065/(2π·50·400²) = 220,1 µF
Antwoord
C = 220,1 µF
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 184,8 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 110/0,92 = 119,6 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 119565/(√3·415·0,9) = 184,8 A
Antwoord
IL = 184,8 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 502,9 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 60·tan(acos 0,8) = 60·0,75 = 45 kvar
Q2 = 60·tan(acos 0,95) = 60·0,3287 = 19,72 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 25,28 kvar
Capaciteit per fase
In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Pas de overgebrachte belasting aan
a²·16 = 2304
a = √(2304/16) = √144 = 12
Antwoord
a = 12
16.Transformatoren
Antwoord: Sη,max = 43,3 kVA
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.