Drie takken zijn aangesloten tussen knooppunt A en massa, zoals getekend. Gebruik de knooppuntmethode om de stroom I3 in tak 3 te vinden, die omhoog knooppunt A in stroomt in de richting van de pijl.
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de energie W die op t = 5 ms in de spoel is opgeslagen, in mJ.
Vs = 9 VR = 5 ΩL = 22 mHt = 5 ms
W = mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
De schakelaar over R2 is al lang gesloten, dus de spoelstroom is constant. Op t = 0 gaat de schakelaar open. Vind de spoelstroom i op t = 1 ms.
Vs = 24 VR1 = 22 ΩR2 = 10 ΩL = 47 mHt = 1 ms
i = A
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling met L = 20 mH moet resoneren bij 1000 Hz. Vind de benodigde capaciteit C.
f0 = 1000 HzL = 20 mH
C = µF
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 100 Hz. Vind de resonantiefrequentie f0 van de schakeling.
V = 100 V (rms)f = 100 HzR = 25 ΩL = 250 mHC = 10 µF
f0 = Hz
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 240 V: een belasting van 19 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,8 en een belasting van 26 kW met een capacitieve arbeidsfactor van 0,8. Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 35 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een voeding van 240 V, 50 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,95. Vind de benodigde capaciteit C.
P = 35 kWpf1 = 0,75pf2 = 0,95V = 240 Vf = 50 Hz
C = µF
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 30 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 91% en de arbeidsfactor 0,9 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 690 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 30 kWη = 91%cos φ = 0,9VL = 690 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 200 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een net van 415 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,92 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. Vind het totale blindvermogen QC dat de condensatorbank moet leveren, in kvar.
P = 200 kWpf1 = 0,75pf2 = 0,92VL = 415 Vf = 50 Hz
QC = kvar
15.TransformatorenGemiddeld
Een eenfasetransformator van 100 kVA, 6600/230 V werkt bij nominale belasting. Beschouw hem als ideaal. Vind de stroom ILV in de laagspanningswikkeling.
S = 100 kVAV1 = 6600 VV2 = 230 V
ILV = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 200 kVA heeft een ijzerverlies van 1000 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,85 is het rendement 98,8%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 200 kVAPcore = 1000 Wpf = 0,85η = 98,8%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 5,484 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 15 + 12 = 27 Ω
R2 ∥ 27 = 4·27/(4+27) = 3,484 Ω
Req = R1 + 3,484 = 2 + 3,484 = 5,484 Ω
Antwoord
Req = 5,484 Ω
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,7125 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 12 + 8 = 20 Ω
R4 ∥ 20 = 12 Ω
R3 + 12 = 42 Ω
R2 ∥ 42 = 11,05 Ω
Req = R1 + 11,05 = 10 + 11,05 = 21,05 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 15/21,05 = 0,7125 A
Antwoord
IR1 = 0,7125 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: I3 = −0,1455 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
Neem de onderste draad als massa. Elke tak voert (VA − Vk)/Rk weg van A, waarbij Vk de spanning van de bron in die tak is (nul voor een gewone weerstand). De stromen die A verlaten zijn samen nul.
(VA − 10)/12 + (VA − 18)/20 + (VA − 9)/20 = 0
Los VA op
VA = (10/12 + 18/20 + 9/20) / (1/12 + 1/20 + 1/20) = 2,183/0,1833 = 11,91 V
Takstroom
De pijl wijst omhoog door de tak, knooppunt A in.
I3 = (9 − VA)/R3 = (9 − 11,91)/20 = −0,1455 A
Antwoord
I3 = −0,1455 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR4 = −3,924 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 9 V, V2 = 6 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/3 + (VA − 9)/6 + (VA − VB)/30 = 0
0,5333·VA − 0,03333·VB = 1,5
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R5 + (VB − VA)/R2 + (VB − V2)/R4 = Is
VB/2 + (VB − VA)/30 + (VB − 6)/2 = (−5)
−0,03333·VA + 1,033·VB = −2
Oplossen
Δ = (0,5333)(1,033) − (−0,03333)(−0,03333) = 0,55
VA = Δ1/Δ = 1,483/0,55 = 2,697 V
VB = Δ2/Δ = −1,017/0,55 = −1,848 V
Antwoord
IR4 = (VB − V2)/R4 = (−1,848 − 6)/2 = −3,924 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IN = 0,4091 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 6·10/(6+10) = 3,75 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 3,75 + 10 = 13,75 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 9·10/(6+10) = 5,625 V
Norton-equivalent
Een Norton-bron is dezelfde schakeling, gezien als een stroombron parallel aan R_th. De stroom is de kortsluitstroom tussen a–b.
IN = Vth/Rth = 5,625/13,75 = 0,4091 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: PL = 36,84 W
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 2·25/(2+25) = 1,852 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,852 + 2 = 3,852 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 9,259 + 6·1,852 = 20,37 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 20,37 + 6·2 = 32,37 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 32,37/(3,852 + 20) = 1,357 A
PL = IL²·RL = 1,357²·20 = 36,84 W
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: W = 16,43 mJ
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 22 mH / 5 Ω = 4,4 ms
i(∞) = Vs/R = 9/5 = 1,8 A
Stroom op het gegeven tijdstip
i(t) = 1,8·(1 − e−5/4,4) = 1,222 A
Opgeslagen energie
W = ½·L·i² = ½·22·1,222² = 16,43 mJ
Antwoord
W = 16,43 mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i = 0,9226 A
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
Vóór t = 0 overbrugt de gesloten schakelaar R₂; daarna zitten R₁ en R₂ allebei in de kring.
i(0) = 24/22 = 1,091 A
i(∞) = 24/(22 + 10) = 0,75 A
τ = L/R = 47/32 = 1,469 ms
i(t) = 0,75 + (1,091 − 0,75)·e−t/τ
Stroom op het gegeven tijdstip
i(1) = 0,75 + (0,3409)·e−1/1,469 = 0,9226 A
Antwoord
i = 0,9226 A
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: C = 1,267 µF
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantievoorwaarde
Bij resonantie heffen de inductieve en capacitieve reactantie elkaar op: ωL = 1/(ωC).
ω₀ = 2π·1000 = 6283 rad/s
C = 1/(ω₀²·L) = 1/(6283²·0,02) = 1,267 µF
Antwoord
C = 1,267 µF
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: f0 = 100,7 Hz
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de inductieve en capacitieve reactantie elkaar op: ωL = 1/(ωC). De voedingsfrequentie doet er niet toe.
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 19·tan(arccos 0,8) = 14,25 kvar
Q2 = −26·tan(arccos 0,8) = −19,5 kvar
Totalen
P = 19 + 26 = 45 kW
Q = 14,25 + (−19,5) = −5,25 kvar
S = √(45² + (−5,25)²) = 45,31 kVA
Totale stroom
I = S/V = 45305/240 = 188,8 A
Antwoord
I = 188,8 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: C = 1070 µF
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 35·tan(41,41°) = 30,87 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 35·tan(18,19°) = 11,5 kvar
QC = Q1 − Q2 = 19,36 kvar
Capaciteit
Een condensator over de voeding levert Q = V²·ωC.
C = QC/(2πf·V²) = 19363/(2π·50·240²) = 1070 µF
Antwoord
C = 1070 µF
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 30,65 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 30/0,91 = 32,97 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 32967/(√3·690·0,9) = 30,65 A
Antwoord
IL = 30,65 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: QC = 91,18 kvar
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 200·tan(acos 0,75) = 200·0,8819 = 176,4 kvar
Q2 = 200·tan(acos 0,92) = 200·0,426 = 85,2 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 91,18 kvar
Antwoord
QC = 91,18 kvar
15.Transformatoren
Antwoord: ILV = 434,8 A
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Nominale stroom
Beide wikkelingen voeren hetzelfde schijnbaar vermogen.
ILV = S/V = 100000/230 = 434,8 A
Antwoord
ILV = 434,8 A
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 1065 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.