Vind de Thévenin-weerstand Rth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 30 VR1 = 15 ΩR2 = 15 ΩR3 = 2 Ω
Rth = Ω
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 30 VIs = 3 AR1 = 5 ΩR2 = 12 ΩR3 = 12 Ω
Vth = V
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de energie W die op t = 1 ms in de spoel is opgeslagen, in mJ.
Vs = 12 VR = 47 ΩL = 68 mHt = 1 ms
W = mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 8 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Hoe lang duurt het voordat vC 14,4 V bereikt? Vind t.
Vs = 24 VR = 1 kΩC = 68 µFvC(0) = 8 V
t = ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 200 Hz. Vind de arbeidsfactor cos φ van de schakeling.
V = 24 V (rms)f = 200 HzR = 60 ΩL = 150 mHC = 100 µF
cos φ =
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 10 V (rms), 50 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 10 V (rms)f = 50 HzR = 50 ΩL = 150 mHC = 47 µF
I = A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 240 V: een belasting van 27 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,7 en een belasting van 13 kW met een capacitieve arbeidsfactor van 0,8. Vind de totale arbeidsfactor cos φ die de voeding ziet.
Een eenfasige belasting neemt 17 kW op met een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een voeding van 240 V, 50 Hz. Parallel aan de belasting wordt een condensator van 470 µF aangesloten. Vind de nieuwe lijnstroom I.
P = 17 kWpf1 = 0,8V = 240 Vf = 50 HzC = 470 µF
I = A
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een symmetrische driefasige belasting neemt een lijnstroom van 40 A op uit een net met een lijnspanning van 400 V. De arbeidsfactor is 0,92 inductief. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.
VL = 400 VIL = 40 Acos φ = 0,92
P = kW
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 120 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,78 uit een net van 690 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,98 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 120 kWpf1 = 0,78pf2 = 0,98VL = 690 Vf = 50 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Over de secundaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 8:1 is een weerstand van 2 Ω aangesloten. Vind de weerstand R1′ gezien vanaf de primaire wikkeling.
N1:N2 = 8:1RL = 2 Ω
R1′ = Ω
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 50 kVA heeft een ijzerverlies van 150 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,9 is het rendement 98,8%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 50 kVAPcore = 150 Wpf = 0,9η = 98,8%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,2318 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 2 + 5 = 7 Ω
R2 ∥ 7 = 6·7/(6+7) = 3,231 Ω
Req = R1 + 3,231 = 20 + 3,231 = 23,23 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 10/23,23 = 0,4305 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 10 − 0,4305·20 = 1,391 V
IR2 = VA/R2 = 1,391/6 = 0,2318 A
Antwoord
IR2 = 0,2318 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 11,39 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 5 + 4 = 9 Ω
R4 ∥ 9 = 5,143 Ω
R3 + 5,143 = 11,14 Ω
R2 ∥ 11,14 = 6,393 Ω
Req = R1 + 6,393 = 5 + 6,393 = 11,39 Ω
Antwoord
Req = 11,39 Ω
3.Knooppuntmethode
Antwoord: VA = 5,556 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 15 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/6 + (VA − 15)/3 + (VA − VB)/5 = 0
0,7·VA − 0,2·VB = 5
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/20 + (VB − VA)/5 = (−2,5)
−0,2·VA + 0,25·VB = −2,5
Oplossen
Δ = (0,7)(0,25) − (−0,2)(−0,2) = 0,135
VA = Δ1/Δ = 0,75/0,135 = 5,556 V
VB = Δ2/Δ = −0,75/0,135 = −5,556 V
Antwoord
VA = 5,556 V
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR2 = −0,4204 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 10 V, V2 = 30 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/15 + (VA − 10)/12 + (VA − VB)/25 = 0
0,19·VA − 0,04·VB = 0,8333
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 15·15/(15+15) = 7,5 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 7,5 + 2 = 9,5 Ω
6.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 67,76 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 5·12/(5+12) = 3,529 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 3,529 + 12 = 15,53 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 21,18 + 3·3,529 = 31,76 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 31,76 + 3·12 = 67,76 V
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: W = 0,5519 mJ
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 68 mH / 47 Ω = 1,447 ms
i(∞) = Vs/R = 12/47 = 0,2553 A
Stroom op het gegeven tijdstip
i(t) = 0,2553·(1 − e−1/1,447) = 0,1274 A
Opgeslagen energie
W = ½·L·i² = ½·68·0,1274² = 0,5519 mJ
Antwoord
W = 0,5519 mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: t = 34,74 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
t = τ·ln((8 − 24)/(14,4 − 24)) = 68·ln(1,667) = 34,74 ms
Antwoord
t = 34,74 ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: cos φ = 0,3154
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
XL = 188,5 Ω, XC = 7,958 Ω
Impedantie
|Z| = √(60² + (180,5)²) = 190,2 Ω
Arbeidsfactor
cos φ = R/|Z| = 60/190,2 = 0,3154
De schakeling is inductief, dus de arbeidsfactor is inductief (naijlend).
Antwoord
cos φ = 0,3154
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 0,1849 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·50 = 314,2 rad/s
XL = ωL = 314,2·0,15 = 47,12 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(314,2·47·10⁻⁶) = 67,73 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 10/54,08 = 0,1849 A
Antwoord
I = 0,1849 A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: cos φ = 0,9137
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 27·tan(arccos 0,7) = 27,55 kvar
Q2 = −13·tan(arccos 0,8) = −9,75 kvar
Totalen
P = 27 + 13 = 40 kW
Q = 27,55 + (−9,75) = 17,8 kvar
S = √(40² + 17,8²) = 43,78 kVA
Totale arbeidsfactor
cos φ = P/S = 40/43,78 = 0,9137 inductief
Antwoord
cos φ = 0,9137
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 73,01 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = 17·tan(arccos 0,8) = 12,75 kvar
QC = V²·2πf·C = 240²·2π·50·470·10⁻⁶ = 8505 var = 8,505 kvar
Q2 = 12,75 − 8,505 = 4,245 kvar
Nieuw schijnbaar vermogen
S2 = √(17² + 4,245²) = 17,52 kVA
Nieuwe lijnstroom
I = S2/V = 17522/240 = 73,01 A
Antwoord
I = 73,01 A
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: P = 25,5 kW
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Schijnbaar vermogen
S = √3·VL·IL = √3·400·40 = 27,71 kVA
Werkelijk vermogen
P = S·cos φ = 27,71·0,92 = 25,5 kW
Antwoord
P = 25,5 kW
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 480,8 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 120·tan(acos 0,78) = 120·0,8023 = 96,27 kvar
Q2 = 120·tan(acos 0,98) = 120·0,2031 = 24,37 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 71,91 kvar
Capaciteit per fase
In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Overgebrachte weerstand
De spanning gaat omhoog met a en de stroom omlaag met a, dus de verhouding V/I gaat omhoog met a².
R1′ = a²·RL = 8²·2 = 128 Ω
Antwoord
R1′ = 128 Ω
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 396,6 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.