Inleiding elektrotechniek: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 16 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Serie- en parallelweerstanden

Weerstanden in serie
Req = R1 + R2 + …
Weerstanden parallel
1/Req = 1/R1 + 1/R2 + …
Twee parallel
Req = R1R2 / (R1 + R2)
Wet van Ohm
V = I·R
Vermogen
P = V·I = I²R = V²/R

Methode

  1. Begin aan het uiteinde van het netwerk dat het verst van de klemmen ligt.
  2. Combineer weerstanden in serie door ze op te tellen, en weerstanden parallel met 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …
  3. Teken de schakeling na elke stap opnieuw.
  4. Herhaal tot er één weerstand tussen de klemmen over is.

Knooppuntmethode

Stroomwet van Kirchhoff
ΣIin = ΣIout
Takstroom
I = (Va − Vb)/R
Referentieknooppunt
Vground = 0

Methode

  1. Kies een referentieknooppunt (massa) en benoem de andere knooppuntspanningen.
  2. Schrijf de stroomwet van Kirchhoff op in elk onbekend knooppunt: de stromen die door de takken weggaan zijn gelijk aan de stromen die binnenkomen.
  3. Schrijf elke takstroom als (Va − Vb)/R.
  4. Los het stelsel vergelijkingen op en bereken daarna de stromen die je nodig hebt.

Thévenin en Norton

Thévenin-spanning
Vth = Vopen circuit
Thévenin-weerstand
Rth: alle bronnen uit, gezien vanaf a–b
Norton-stroom
IN = Vth/Rth
Belastingsstroom
IL = Vth/(Rth + RL)
Maximale vermogensoverdracht
RL = Rth, Pmax = Vth²/(4Rth)

Methode

  1. Haal de belasting weg en markeer de twee klemmen a en b.
  2. Bepaal de openklemspanning tussen a en b: dit is Vth.
  3. Schakel alle onafhankelijke bronnen uit en bepaal de weerstand gezien vanaf a–b: dit is Rth.
  4. Zet de belasting terug op het vervangingsschema: Vth in serie met Rth.
  5. Reken voor het Norton-equivalent om: IN = Vth/Rth, met RN = Rth parallel.

RC- en RL-schakelverschijnselen

Tijdconstante
τ = RC | τ = L/R
Respons
x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ
Condensator bij gelijkstroom
open klemmen; vC kan niet verspringen
Spoel bij gelijkstroom
kortsluiting; iL kan niet verspringen
Eindtoestand
t ≈ 5τ

Methode

  1. Bepaal de beginwaarde vlak na het schakelen: een condensatorspanning en een spoelstroom kunnen niet verspringen.
  2. Bepaal de eindwaarde lang na het schakelen: een condensator gedraagt zich als een open keten, een spoel als een kortsluiting.
  3. Bepaal de tijdconstante: τ = RC of τ = L/R, met de weerstand die de condensator of spoel ziet.
  4. Gebruik x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ.

Wisselstroomimpedantie en fasoren

Impedanties
ZR = R, ZL = jωL, ZC = 1/(jωC)
Hoekfrequentie
ω = 2πf
Modulus en hoek
|Z| = √(R² + X²), φ = atan(X/R)
Wet van Ohm met fasoren
V = I·Z

Methode

  1. Reken de frequentie om: ω = 2πf.
  2. Bereken elke reactantie: XL = ωL en XC = 1/(ωC).
  3. Tel impedanties op zoals weerstanden, met Z = R + jX.
  4. Bereken de grootte |Z| = √(R² + X²) en de hoek φ = atan(X/R), en gebruik daarna de wet van Ohm met fasoren.

Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor

Werkelijk vermogen
P = V·I·cos φ
Blindvermogen
Q = V·I·sin φ
Schijnbaar vermogen
S = V·I = √(P² + Q²)
Arbeidsfactor
pf = cos φ = P/S
Compensatiecondensator
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(ωV²)

Draaistroomvermogen

Sterschakeling (Y)
VL = √3·Vph, IL = Iph
Driehoekschakeling (Δ)
VL = Vph, IL = √3·Iph
Totaal werkelijk vermogen
P = √3·VL·IL·cos φ = 3·Iph²·R
Schijnbaar vermogen en blindvermogen
S = √3·VL·IL, Q = P·tan φ
Compensatiecondensatoren
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(3ωV²)
Spanning over elke condensator
Δ: VL Y: VL/√3
Opgenomen motorvermogen
Pin = Pout/η

Transformatoren

Wikkelverhouding
a = N1/N2 = V1/V2
Stroomverhouding
I1/I2 = N2/N1 = 1/a
Nominale stroom
I = S/V
Overgebrachte impedantie
Z1′ = a²·ZL
Koperverlies bij deellast
Pcu = x²·Pcu,fl
Rendement
η = x·S·pf/(x·S·pf + Pcore + x²·Pcu,fl)
Maximaal rendement
x = √(Pcore/Pcu,fl)

2Oefenopgaven

1.Serie- en parallelweerstandenGemiddeld
R1​ = 20 ΩR3​ = 4 Ω+−V1​15 VR2​12 ΩAR4​6 ΩB

Vind de vervangingsweerstand Req die de bron V1 ziet.

V1 = 15 VR1 = 20 ΩR2 = 12 ΩR3 = 4 ΩR4 = 6 Ω
Req = Ω
2.Serie- en parallelweerstandenMoeilijk
R1​ = 25 ΩIR1​R3​ = 25 ΩR5​ = 10 Ω+−V1​12 VR2​15 ΩAR4​2 ΩBR6​4 Ω

Vind de stroom IR1 die de bron levert, en die door R1 loopt.

V1 = 12 VR1 = 25 ΩR2 = 15 ΩR3 = 25 ΩR4 = 2 ΩR5 = 10 ΩR6 = 4 Ω
IR1 = A
3.KnooppuntmethodeGemiddeld
R1​ = 5 ΩR3​ = 10 Ω+−V1​30 VR2​6 ΩAR4​20 ΩBIs​2 A

Gebruik de knooppuntmethode om de knooppuntspanning VA (gemeten ten opzichte van massa) te vinden.

V1 = 30 VIs = 2 AR1 = 5 ΩR2 = 6 ΩR3 = 10 ΩR4 = 20 Ω
VA = V
4.KnooppuntmethodeMoeilijk
R1​ = 25 ΩR2​ = 4 ΩIR2​R4​ = 8 Ω+−V1​5 VR3​4 ΩAR5​25 ΩBIs​1,5 A−+V2​10 V

Gebruik de knooppuntmethode om de stroom IR2 door R2 in de richting van de pijl te vinden.

V1 = 5 VIs = 1,5 AV2 = 10 VR1 = 25 ΩR2 = 4 ΩR3 = 4 ΩR4 = 8 ΩR5 = 25 Ω
IR2 = A
5.Thévenin en NortonGemiddeld
R1​ = 3 ΩR3​ = 2 Ω+−V1​6 VR2​6 ΩAab

Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.

V1 = 6 VR1 = 3 ΩR2 = 6 ΩR3 = 2 Ω
Vth = V
6.Thévenin en NortonMoeilijk
R1​ = 12 ΩR3​ = 3 Ω+−V1​36 VR2​2 ΩAIs​0,5 ABRL​15 ΩIL​

Een belasting RL = 15 Ω is aangesloten over a–b. Gebruik een Thévenin-equivalent om het vermogen PL in de belasting te vinden.

V1 = 36 VIs = 0,5 AR1 = 12 ΩR2 = 2 ΩR3 = 3 ΩRL = 15 Ω
PL = W
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
R = 10 Ωt = 0L47 mHi(t)

De spoel voert een constante stroom van 2 A. Op t = 0 sluit de schakelaar de kring via R en wordt de bron verwijderd, zodat de spoelstroom via R uitdooft. Hoe lang duurt het voordat de stroom gedaald is tot 0,2 A? Vind t.

i(0) = 2 AR = 10 ΩL = 47 mH
t = ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
+−Vs​20 Vt = 0R = 1 kΩC47 µF+−vC​vC​(0) = 10 V

Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 10 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Hoe lang duurt het voordat vC 14 V bereikt? Vind t.

Vs = 20 VR = 1 kΩC = 47 µFvC(0) = 10 V
t = ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
24 V500 HzR = 40 ΩL = 20 mHC = 100 µF

Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 500 Hz. Vind de fasehoek φ van de impedantie, in graden (positief als de stroom achterloopt op de spanning).

V = 24 V (rms)f = 500 HzR = 40 ΩL = 20 mHC = 100 µF
φ = °
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
230 V100 HzR1​ = 40 ΩR2​ = 100 ΩC = 47 µF

Een weerstand R1 staat in serie met een parallelschakeling van R2 en een condensator C, aangesloten op een voeding van 230 V (rms), 100 Hz. Vind de grootte van de impedantie |Z|.

V = 230 V (rms)f = 100 HzR1 = 40 ΩR2 = 100 ΩC = 47 µF
|Z| = Ω
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
230 VR + jXP = 2185 W19 A

Een inductieve belasting neemt 19 A en 2185 W op uit een eenfasige voeding van 230 V (rms). Modelleer haar als een weerstand R in serie met een reactantie X. Vind X.

V = 230 VI = 19 AP = 2185 W
X = Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
P1​ = 96 kWQ1​S1​φ

Een eenfasige transformator van 200 kVA voedt een belasting van 96 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,6. Hoeveel extra werkelijk vermogen ΔP kan er als resistieve belasting (arbeidsfactor 1) worden bijgeplaatst voordat de transformator zijn nominale kVA bereikt?

Smax = 200 kVAP1 = 96 kWpf1 = 0,6
ΔP = kW
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
ABCVL​ = 480 VIL​ = 10 Acos φ = 0,85inductief

Een symmetrische driefasige belasting neemt een lijnstroom van 10 A op uit een net met een lijnspanning van 480 V. De arbeidsfactor is 0,85 inductief. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.

VL = 480 VIL = 10 Acos φ = 0,85
P = kW
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
P = 120 kWφ1​S1​Q2​QC​

Een symmetrische driefasige belasting neemt 120 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,72 uit een net van 480 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,98 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.

P = 120 kWpf1 = 0,72pf2 = 0,98VL = 480 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
RL​ = 15 Ω41960 VV2​I1​ = ?I2​

Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 4:1 staat 960 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 15 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.

N1:N2 = 4:1V1 = 960 VRL = 15 Ω
I1 = A
16.TransformatorenMoeilijk
pf 0,95100 kVA, η = 98,8%

Een eenfasetransformator van 100 kVA heeft een ijzerverlies van 400 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,95 is het rendement 98,8%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.

S = 100 kVAPcore = 400 Wpf = 0,95η = 98,8%
Pcu,fl = W

3Oplossingen

1.Serie- en parallelweerstanden

Antwoord: Req = 25,45 Ω

Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.

R1​ = 20 ΩR3​ = 4 Ω+−V1​15 VR2​12 ΩAR4​6 ΩB

Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde

Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.

R3 + R4 = 4 + 6 = 10 Ω
R2 ∥ 10 = 12·10/(12+10) = 5,455 Ω
Req = R1 + 5,455 = 20 + 5,455 = 25,45 Ω

Antwoord

Req = 25,45 Ω
2.Serie- en parallelweerstanden

Antwoord: IR1 = 0,3467 A

Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.

R1​ = 25 ΩR3​ = 25 ΩR5​ = 10 Ω+−V1​12 VR2​15 ΩAR4​2 ΩBR6​4 Ω

Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde

Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.

R5 + R6 = 10 + 4 = 14 Ω
R4 ∥ 14 = 1,75 Ω
R3 + 1,75 = 26,75 Ω
R2 ∥ 26,75 = 9,611 Ω
Req = R1 + 9,611 = 25 + 9,611 = 34,61 Ω

Stroom uit de bron

De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.

IR1 = V1/Req = 12/34,61 = 0,3467 A

Antwoord

IR1 = 0,3467 A
3.Knooppuntmethode

Antwoord: VA = 18,33 V

Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.

R1​ = 5 ΩR3​ = 10 Ω+−V1​30 VR2​6 ΩAR4​20 ΩBIs​2 A

Stel de knooppunten op

Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 30 V). Onbekenden: VA, VB.

Stroomwet in knooppunt A

De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.

VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/6 + (VA − 30)/5 + (VA − VB)/10 = 0
0,4667·VA − 0,1·VB = 6

Stroomwet in knooppunt B

De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.

VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/20 + (VB − VA)/10 = 2
−0,1·VA + 0,15·VB = 2

Oplossen

Δ = (0,4667)(0,15) − (−0,1)(−0,1) = 0,06
VA = Δ1/Δ = 1,1/0,06 = 18,33 V
VB = Δ2/Δ = 1,533/0,06 = 25,56 V

Antwoord

VA = 18,33 V
4.Knooppuntmethode

Antwoord: IR2 = −0,06111 A

Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.

R1​ = 25 ΩR2​ = 4 ΩR4​ = 8 Ω+−V1​5 VR3​4 ΩAR5​25 ΩBIs​1,5 A−+V2​10 V

Stel de knooppunten op

Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 5 V, V2 = −10 V). Onbekenden: VA, VB.

Stroomwet in knooppunt A

De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.

VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/4 + (VA − 5)/25 + (VA − VB)/4 = 0
0,54·VA − 0,25·VB = 0,2

Stroomwet in knooppunt B

De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.

VB/R5 + (VB − VA)/R2 + (VB − V2)/R4 = Is
VB/25 + (VB − VA)/4 + (VB − (−10))/8 = 1,5
−0,25·VA + 0,415·VB = 0,25

Oplossen

Δ = (0,54)(0,415) − (−0,25)(−0,25) = 0,1616
VA = Δ1/Δ = 0,1455/0,1616 = 0,9004 V
VB = Δ2/Δ = 0,185/0,1616 = 1,145 V

Antwoord

IR2 = (VA − VB)/R2 = (0,9004 − 1,145)/4 = −0,06111 A
5.Thévenin en Norton

Antwoord: Vth = 4 V

Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.

R1​ = 3 ΩR3​ = 2 ΩKORTSLUITINGR2​6 ΩAabRth​

Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld

Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.

R1 ∥ R2 = 3·6/(3+6) = 2 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 2 + 2 = 4 Ω
R1​ = 3 ΩR3​ = 2 Ω+−V1​6 VR2​6 ΩAab+−Vth​

Vind Vth, de openklemspanning

Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.

Vth = V1·R2/(R1+R2) = 6·6/(3+6) = 4 V
6.Thévenin en Norton

Antwoord: PL = 2,171 W

Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.

R1​ = 12 ΩR3​ = 3 ΩKORTSLUITINGR2​2 ΩAOPENBabRth​

Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld

Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.

R1 ∥ R2 = 12·2/(12+2) = 1,714 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,714 + 3 = 4,714 Ω
R1​ = 12 ΩR3​ = 3 Ω+−V1​36 VR2​2 ΩAIs​0,5 ABab+−Vth​

Vind Vth, de openklemspanning

Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.

VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 5,143 + 0,5·1,714 = 6 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 6 + 0,5·3 = 7,5 V
Rth​ = 4,714 Ω+−Vth​7,5 VRL​15 ΩIL​

Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent

De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.

IL = Vth/(Rth + RL) = 7,5/(4,714 + 15) = 0,3804 A
PL = IL²·RL = 0,3804²·15 = 2,171 W
7.RC- en RL-schakelverschijnselen

Antwoord: t = 10,82 ms

Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.

Tijdconstante

τ = L/R = 47 mH / 10 Ω = 4,7 ms

Los op naar de tijd

0,2 = 2·e−t/τ → t = τ·ln(2/0,2)
t = 4,7·ln(10) = 10,82 ms

Antwoord

t = 10,82 ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselen

Antwoord: t = 24,01 ms

Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.

Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante

De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.

vC(0) = 10 V, vC(∞) = Vs = 20 V
τ = R·C = 1 kΩ · 47 µF = 47 ms
vC(t) = 20 + (10 − 20)·e−t/τ

Los op naar de tijd

14 = 20 + (−10)·e−t/τ → e−t/τ = (14 − 20)/(10 − 20) = 0,6
t = τ·ln((10 − 20)/(14 − 20)) = 47·ln(1,667) = 24,01 ms

Antwoord

t = 24,01 ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren

Antwoord: φ = 56,15 °

Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.

Reactanties

ω = 2πf = 2π·500 = 3142 rad/s
XL = ωL = 3142·0,02 = 62,83 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(3142·100·10⁻⁶) = 3,183 Ω

Impedantie

In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).

|Z| = √(R² + (XL − XC)²) = √(40² + (59,65)²) = 71,82 Ω

Fasehoek

φ = arctan((XL − XC)/R) = arctan(59,65/40) = 56,15°

Antwoord

φ = 56,15°
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren

Antwoord: |Z| = 58,75 Ω

Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.

Reactantie

XC = 1/(2π·100·47·10⁻⁶) = 33,86 Ω

Parallelschakeling

Vermenigvuldig teller en noemer met de complex geconjugeerde om Zp te splitsen in een reëel en een imaginair deel.

Zp = R₂·(−jXC)/(R₂ − jXC) = (R₂·XC² − jR₂²·XC)/(R₂² + XC²)
Zp = 10,29 − j30,38 Ω

Totale impedantie

Z = 40 + 10,29 − j30,38 = 50,29 − j30,38 Ω
|Z| = √(50,29² + 30,38²) = 58,75 Ω

Antwoord

|Z| = 58,75 Ω
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor

Antwoord: X = 10,48 Ω

Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.

Weerstand uit het werkelijk vermogen

R = P/I² = 2185/19² = 6,053 Ω

Reactantie uit de impedantie

|Z| = V/I = 230/19 = 12,11 Ω
X = √(|Z|² − R²) = √(12,11² − 6,053²) = 10,48 Ω

Antwoord

X = 10,48 Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor

Antwoord: ΔP = 57,67 kW

Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.

Blindvermogen van de bestaande belasting

Q1 = 96·tan(arccos 0,6) = 128 kvar

Grootste totale werkelijk vermogen

Bij volle belasting is S = Smax, en Q verandert niet door de resistieve belasting.

P = √(Smax² − Q1²) = √(200² − 128²) = 153,7 kW

Extra werkelijk vermogen

ΔP = 153,7 − 96 = 57,67 kW

Antwoord

ΔP = 57,67 kW
13.Draaistroomvermogen

Antwoord: P = 7,067 kW

Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.

Schijnbaar vermogen

S = √3·VL·IL = √3·480·10 = 8,314 kVA

Werkelijk vermogen

P = S·cos φ = 8,314·0,85 = 7,067 kW

Antwoord

P = 7,067 kW
14.Draaistroomvermogen

Antwoord: Cph = 1051 µF

Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.

Blindvermogen voor en na

Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.

Q1 = 120·tan(acos 0,72) = 120·0,9639 = 115,7 kvar
Q2 = 120·tan(acos 0,98) = 120·0,2031 = 24,37 kvar

Blindvermogen van de condensatoren

QC = Q1 − Q2 = 91,3 kvar

Capaciteit per fase

In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.

V = 480/√3 = 277,1 V, ω = 2π·60 = 377 rad/s
Cph = (QC/3)/(ω·V²) = 30432/(377·277,1²) = 1051 µF

Antwoord

Cph = 1051 µF
15.Transformatoren

Antwoord: I1 = 4 A

Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.

Secundaire spanning en stroom

V2 = 960/4 = 240 V
I2 = 240/15 = 16 A

Primaire stroom

Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.

I1 = I2/4 = 4 A

Antwoord

I1 = 4 A

Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 240 Ω, en 960/240 geeft dezelfde stroom.

16.Transformatoren

Antwoord: Pcu,fl = 753,8 W

Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.

Afgegeven en opgenomen vermogen

Pout = 100·0,95 = 95 kW
Pin = 95000/0,988 = 96154 W

Totale verliezen en koperverlies

Ploss = 96154 − 95000 = 1154 W
Pcu,fl = 1154 − 400 = 753,8 W

Antwoord

Pcu,fl = 753,8 W

ExamProblems · examproblems.com/courses/electrical-engineering-fundamentals