De stroombron wordt bijgesteld tot de knooppuntspanning in A gelijk is aan VA = 17 V. Gebruik de knooppuntmethode om de bronstroom Is te vinden (richting zoals getekend).
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 15 VR1 = 15 ΩR2 = 4 ΩR3 = 20 Ω
Vth = V
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Norton-stroom IN: de stroom die van a naar b loopt als de klemmen kortgesloten zijn.
V1 = 30 VIs = 1 AR1 = 6 ΩR2 = 25 ΩR3 = 8 Ω
IN = A
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de stroom i op t = 1 ms.
Vs = 10 VR = 100 ΩL = 68 mHt = 1 ms
i = A
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
De schakelaar is al lang gesloten, dus de schakeling is in de stationaire toestand. Op t = 0 gaat de schakelaar open. Vind de stroom i2 door R2 op t = 1000 ms.
Vs = 30 VR1 = 1 kΩR2 = 6,8 kΩC = 220 µFt = 1000 ms
i2 = mA
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een weerstand en een spoel zijn parallel aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 100 Hz. Vind de grootte van de impedantie |Z|.
V = 24 V (rms)f = 100 HzR = 15 ΩL = 20 mH
|Z| = Ω
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 230 V (rms), 50 Hz. Vind de effectieve spanning VC over de condensator.
V = 230 V (rms)f = 50 HzR = 100 ΩL = 50 mHC = 4,7 µF
VC = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een eenfasige motor neemt 38 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een voeding van 230 V. Vind de lijnstroom I.
P = 38 kWpf = 0,75V = 230 V
I = A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een bron van 100 V (rms), 1000 Hz heeft een inwendige impedantie Zs = 25 + j20 Ω. De belastingsimpedantie ZL kan vrij worden gekozen. De belasting voor maximaal vermogen bestaat uit een weerstand in serie met een condensator. Vind de capaciteit C.
Vs = 100 V (rms)f = 1000 HzZs = 25 + j20 Ω
C = µF
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 7,5 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 90% en de arbeidsfactor 0,9 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 415 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 7,5 kWη = 90%cos φ = 0,9VL = 415 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 100 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,7 uit een net van 400 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,9 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 100 kWpf1 = 0,7pf2 = 0,9VL = 400 Vf = 50 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 20:1 staat 2400 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 15 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.
N1:N2 = 20:1V1 = 2400 VRL = 15 Ω
I1 = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 200 kVA heeft een ijzerverlies van 1000 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,95 is het rendement 97%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 200 kVAPcore = 1000 Wpf = 0,95η = 97%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,3713 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 20 + 8 = 28 Ω
R2 ∥ 28 = 5·28/(5+28) = 4,242 Ω
Req = R1 + 4,242 = 20 + 4,242 = 24,24 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 9/24,24 = 0,3713 A
Antwoord
IR1 = 0,3713 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,1154 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 15 + 12 = 27 Ω
R4 ∥ 27 = 9,643 Ω
R3 + 9,643 = 13,64 Ω
R2 ∥ 13,64 = 7,145 Ω
Req = R1 + 7,145 = 30 + 7,145 = 37,14 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 9/37,14 = 0,2423 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 9 − 0,2423·30 = 1,731 V
IR2 = VA/R2 = 1,731/15 = 0,1154 A
Antwoord
IR2 = 0,1154 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: VA = 10,49 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 10 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/15 + (VA − 10)/15 + (VA − VB)/8 = 0
0,2583·VA − 0,125·VB = 0,6667
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/5 + (VB − VA)/8 = 4
−0,125·VA + 0,325·VB = 4
Oplossen
Δ = (0,2583)(0,325) − (−0,125)(−0,125) = 0,06833
VA = Δ1/Δ = 0,7167/0,06833 = 10,49 V
VB = Δ2/Δ = 1,117/0,06833 = 16,34 V
Antwoord
VA = 10,49 V
4.Knooppuntmethode
Antwoord: Is = 3,031 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
VA is bekend, dus deze vergelijking geeft VB.
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + (VA − VB)/R3 = 0
(17 − 18)/8 + 17/12 = (VB − 17)/3
1,292 = (VB − 17)/3 → VB = 20,88 V
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten zijn gelijk aan de stroom die bronnen B in duwen.
Is = (VB − VA)/R3 + VB/R4 = (20,88 − 17)/3 + 20,88/12 = 3,031 A
Antwoord
Is = 3,031 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 3,158 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 15·4/(15+4) = 3,158 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 3,158 + 20 = 23,16 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 15·4/(15+4) = 3,158 V
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IN = 2,884 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 6·25/(6+25) = 4,839 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,839 + 8 = 12,84 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 24,19 + 1·4,839 = 29,03 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 29,03 + 1·8 = 37,03 V
Norton-equivalent
Een Norton-bron is dezelfde schakeling, gezien als een stroombron parallel aan R_th. De stroom is de kortsluitstroom tussen a–b.
IN = Vth/Rth = 37,03/12,84 = 2,884 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i = 0,07702 A
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginspanning van de condensator
In de stationaire toestand is de condensator een open circuit, dus R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler. De condensatorspanning kan niet verspringen als de schakelaar opent.
vC(0) = 30·6,8/(1 + 6,8) = 26,15 V
Tijdconstante nadat de schakelaar opent
τ = R2·C = 6,8·220 = 1496 ms
Ontlading
vC(t) = 26,15·e−1000/1496 = 13,4 V
i2 = vC/R2 = 13,4/6,8 = 1,971 mA
Antwoord
i2 = 1,971 mA
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: |Z| = 9,633 Ω
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactantie
XL = ωL = 2π·100·0,02 = 12,57 Ω
Takstromen
Beide takken zijn rechtstreeks op de voeding aangesloten, dus elke tak krijgt de volle spanning V.
IR = V/R = 24/15 = 1,6 A
IX = V/XL = 24/12,57 = 1,91 A
Totale stroom
De stroom door de weerstand is in fase met V en de reactieve stroom is 90° uit fase, dus ze tellen op als de zijden van een rechthoekige driehoek.
I = √(IR² + IX²) = √(1,6² + 1,91²) = 2,491 A
Impedantie
|Z| = V/I = 24/2,491 = 9,633 Ω
Antwoord
|Z| = 9,633 Ω
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VC = 232,8 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·50 = 314,2 rad/s
XL = ωL = 314,2·0,05 = 15,71 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(314,2·4,7·10⁻⁶) = 677,3 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 230/669,1 = 0,3438 A
Spanning over de condensator
VC = I·XC = 0,3438·677,3 = 232,8 V
Antwoord
VC = 232,8 V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 220,3 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Lijnstroom
Alleen het werkelijke deel van het vermogen doet werk, dus deel door de arbeidsfactor.
I = P/(V·cos φ) = 38000/(230·0,75) = 220,3 A
Antwoord
I = 220,3 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: C = 7,958 µF
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Complex geconjugeerde aanpassing
De reactantie van de belasting heft die van de bron op, en de belastingsweerstand is gelijk aan de bronweerstand.
ZL = Zs* = 25 − j20 Ω
Capaciteit
XC = 20 Ω → C = 1/(2π·1000·20) = 7,958 µF
Antwoord
C = 7,958 µF
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 12,88 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 7,5/0,9 = 8,333 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 8333/(√3·415·0,9) = 12,88 A
Antwoord
IL = 12,88 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 355,4 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 100·tan(acos 0,7) = 100·1,02 = 102 kvar
Q2 = 100·tan(acos 0,9) = 100·0,4843 = 48,43 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 53,59 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Secundaire spanning en stroom
V2 = 2400/20 = 120 V
I2 = 120/15 = 8 A
Primaire stroom
Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.
I1 = I2/20 = 0,4 A
Antwoord
I1 = 0,4 A
Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 6000 Ω, en 2400/6000 geeft dezelfde stroom.
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 4876 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.