Drie takken zijn aangesloten tussen knooppunt A en massa, zoals getekend. Gebruik de knooppuntmethode om de stroom I1 in tak 1 te vinden, die omhoog knooppunt A in stroomt in de richting van de pijl.
Een belasting RL = 15 Ω is aangesloten over a–b. Vervang de rest van de schakeling door het Thévenin-equivalent en vind de belastingsstroom IL.
V1 = 12 VR1 = 12 ΩR2 = 6 ΩR3 = 2 ΩRL = 15 Ω
IL = A
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Norton-stroom IN: de stroom die van a naar b loopt als de klemmen kortgesloten zijn.
V1 = 18 VIs = 1,5 AR1 = 8 ΩR2 = 10 ΩR3 = 30 Ω
IN = A
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert een constante stroom van 2 A. Op t = 0 sluit de schakelaar de kring via R en wordt de bron verwijderd, zodat de spoelstroom via R uitdooft. Vind de stroom i op t = 1 ms.
i(0) = 2 AR = 100 ΩL = 100 mHt = 1 ms
i = A
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
De schakelaar over R2 is al lang open, dus de spoelstroom is constant. Op t = 0 sluit de schakelaar en sluit R2 kort. Vind de spoelstroom i op t = 5 ms.
Vs = 20 VR1 = 15 ΩR2 = 15 ΩL = 220 mHt = 5 ms
i = A
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 100 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 100 V (rms)f = 100 HzR = 30 ΩL = 20 mHC = 4,7 µF
I = A
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling wordt gevoed door een bron van 24 V (rms) waarvan de frequentie is ingesteld op de resonantiefrequentie van de schakeling. Vind de effectieve spanning VL over de spoel.
V = 24 V (rms)R = 20 ΩL = 5 mHC = 1 µF
VL = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een eenfasige motor neemt 17 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,75 uit een voeding van 400 V. Vind de lijnstroom I.
P = 17 kWpf = 0,75V = 400 V
I = A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige transformator van 150 kVA voedt een belasting van 37 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,7. Hoeveel extra werkelijk vermogen ΔP kan er als resistieve belasting (arbeidsfactor 1) worden bijgeplaatst voordat de transformator zijn nominale kVA bereikt?
Smax = 150 kVAP1 = 37 kWpf1 = 0,7
ΔP = kW
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 55 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 94% en de arbeidsfactor 0,86 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 480 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 55 kWη = 94%cos φ = 0,86VL = 480 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 300 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 480 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,95 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 300 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,95VL = 480 Vf = 50 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 20:1 staat 2400 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 24 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.
N1:N2 = 20:1V1 = 2400 VRL = 24 Ω
I1 = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 150 kVA heeft een ijzerverlies van 450 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,9 is het rendement 98,2%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 150 kVAPcore = 450 Wpf = 0,9η = 98,2%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 1,072 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 20 + 8 = 28 Ω
R2 ∥ 28 = 5·28/(5+28) = 4,242 Ω
Req = R1 + 4,242 = 10 + 4,242 = 14,24 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 18/14,24 = 1,264 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 18 − 1,264·10 = 5,362 V
IR2 = VA/R2 = 5,362/5 = 1,072 A
Antwoord
IR2 = 1,072 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,1755 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 3 + 10 = 13 Ω
R4 ∥ 13 = 2,438 Ω
R3 + 2,438 = 12,44 Ω
R2 ∥ 12,44 = 6,107 Ω
Req = R1 + 6,107 = 20 + 6,107 = 26,11 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 9/26,11 = 0,3447 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 9 − 0,3447·20 = 2,105 V
IR2 = VA/R2 = 2,105/12 = 0,1755 A
Antwoord
IR2 = 0,1755 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: I1 = −1,258 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
Neem de onderste draad als massa. Elke tak voert (VA − Vk)/Rk weg van A, waarbij Vk de spanning van de bron in die tak is (nul voor een gewone weerstand). De stromen die A verlaten zijn samen nul.
(VA − (−12))/20 + (VA − 12)/12 + (VA − 24)/8 = 0
Los VA op
VA = ((−12)/20 + 12/12 + 24/8) / (1/20 + 1/12 + 1/8) = 3,4/0,2583 = 13,16 V
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR4 = 0,5181 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 18 V, V2 = −12 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/15 + (VA − 18)/8 + (VA − VB)/2 = 0
0,6917·VA − 0,5·VB = 2,25
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R5 + (VB − VA)/R2 + (VB − V2)/R4 = Is
VB/2 + (VB − VA)/2 + (VB − (−12))/25 = (−0,5)
−0,5·VA + 1,04·VB = −0,98
Oplossen
Δ = (0,6917)(1,04) − (−0,5)(−0,5) = 0,4693
VA = Δ1/Δ = 1,85/0,4693 = 3,942 V
VB = Δ2/Δ = 0,4472/0,4693 = 0,9528 V
Antwoord
IR4 = (VB − V2)/R4 = (0,9528 − −12)/25 = 0,5181 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,1905 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 12·6/(12+6) = 4 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4 + 2 = 6 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 12·6/(12+6) = 4 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 4/(6 + 15) = 0,1905 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IN = 1,79 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 8·10/(8+10) = 4,444 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,444 + 30 = 34,44 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 10 + 1,5·4,444 = 16,67 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 16,67 + 1,5·30 = 61,67 V
Norton-equivalent
Een Norton-bron is dezelfde schakeling, gezien als een stroombron parallel aan R_th. De stroom is de kortsluitstroom tussen a–b.
IN = Vth/Rth = 61,67/34,44 = 1,79 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i = 0,7358 A
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante
τ = L/R = 100 mH / 100 Ω = 1 ms
Afname van de stroom
i(t) = 2·e−1/1 = 0,7358 A
Antwoord
i = 0,7358 A
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i = 0,8593 A
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
Vóór t = 0 zitten beide weerstanden in de kring; daarna overbrugt de gesloten schakelaar R₂.
i(0) = 20/(15 + 15) = 0,6667 A
i(∞) = 20/15 = 1,333 A
τ = L/R = 220/15 = 14,67 ms
i(t) = 1,333 + (0,6667 − 1,333)·e−t/τ
Stroom op het gegeven tijdstip
i(5) = 1,333 + (−0,6667)·e−5/14,67 = 0,8593 A
Antwoord
i = 0,8593 A
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 0,3054 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·100 = 628,3 rad/s
XL = ωL = 628,3·0,02 = 12,57 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(628,3·4,7·10⁻⁶) = 338,6 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 100/327,4 = 0,3054 A
Antwoord
I = 0,3054 A
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VL = 84,85 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de reactanties elkaar op, dus de impedantie is gewoon R.
ω₀ = 1/√(LC) = 1/√(0,005·1·10⁻⁶) = 14142 rad/s
I = V/R = 24/20 = 1,2 A
Spanning over de spoel
XL = ω₀L = 14142·0,005 = 70,71 Ω
VL = I·XL = 1,2·70,71 = 84,85 V
Antwoord
VL = 84,85 V
Dit is Q = 3,536 keer de voedingsspanning.
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 56,67 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Lijnstroom
Alleen het werkelijke deel van het vermogen doet werk, dus deel door de arbeidsfactor.
I = P/(V·cos φ) = 17000/(400·0,75) = 56,67 A
Antwoord
I = 56,67 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: ΔP = 108,2 kW
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van de bestaande belasting
Q1 = 37·tan(arccos 0,7) = 37,75 kvar
Grootste totale werkelijk vermogen
Bij volle belasting is S = Smax, en Q verandert niet door de resistieve belasting.
P = √(Smax² − Q1²) = √(150² − 37,75²) = 145,2 kW
Extra werkelijk vermogen
ΔP = 145,2 − 37 = 108,2 kW
Antwoord
ΔP = 108,2 kW
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 81,83 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 55/0,94 = 58,51 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 58511/(√3·480·0,86) = 81,83 A
Antwoord
IL = 81,83 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 582,1 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 300·tan(acos 0,8) = 300·0,75 = 225 kvar
Q2 = 300·tan(acos 0,95) = 300·0,3287 = 98,61 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 126,4 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Secundaire spanning en stroom
V2 = 2400/20 = 120 V
I2 = 120/24 = 5 A
Primaire stroom
Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.
I1 = I2/20 = 0,25 A
Antwoord
I1 = 0,25 A
Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 9600 Ω, en 2400/9600 geeft dezelfde stroom.
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 2025 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.