Een belasting RL = 3 Ω is aangesloten over a–b. Vervang de rest van de schakeling door het Thévenin-equivalent en vind de belastingsstroom IL.
V1 = 18 VR1 = 6 ΩR2 = 20 ΩR3 = 10 ΩRL = 3 Ω
IL = A
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 10 VIs = 2,5 AR1 = 20 ΩR2 = 12 ΩR3 = 15 Ω
Vth = V
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De bron Vₛ laadt de condensator op via R₁, en R₂ staat parallel aan C. De condensator is ongeladen als de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de tijdconstante τ van de schakeling nadat de schakelaar sluit.
Vs = 24 VR1 = 2,2 kΩR2 = 10 kΩC = 100 µF
τ = ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
De schakelaar is al lang gesloten, dus de schakeling is in de stationaire toestand. Op t = 0 gaat de schakelaar open. Vind de stroom i2 door R2 op t = 200 ms.
Vs = 9 VR1 = 2,2 kΩR2 = 4,7 kΩC = 22 µFt = 200 ms
i2 = mA
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een weerstand en een spoel zijn parallel aangesloten op een voeding van 12 V (rms), 500 Hz. Vind de grootte van de impedantie |Z|.
V = 12 V (rms)f = 500 HzR = 80 ΩL = 100 mH
|Z| = Ω
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 120 V (rms), 1000 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 120 V (rms)f = 1000 HzR = 100 ΩL = 200 mHC = 1 µF
I = A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een eenfasige motor neemt 27 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,65 uit een voeding van 240 V. Vind het blindvermogen Q dat hij opneemt.
P = 27 kWpf = 0,65V = 240 V
Q = kvar
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige belasting neemt 25 kW op met een inductieve arbeidsfactor van 0,7 uit een voeding van 240 V, 60 Hz. Parallel aan de belasting wordt een condensator van 330 µF aangesloten. Vind de nieuwe arbeidsfactor cos φ die de voeding ziet.
P = 25 kWpf1 = 0,7V = 240 Vf = 60 HzC = 330 µF
cos φ =
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een symmetrische, in ster geschakelde belasting met een impedantie van 6 + j8 Ω per fase is aangesloten op een symmetrisch draaistroomnet met een lijnspanning van 480 V. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.
VL = 480 VZ = 6 + j8 Ω per fase
P = kW
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 60 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,78 uit een net van 690 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,98 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 60 kWpf1 = 0,78pf2 = 0,98VL = 690 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Een eenfasetransformator van 15 kVA, 2400/240 V werkt bij nominale belasting. Beschouw hem als ideaal. Vind de stroom ILV in de laagspanningswikkeling.
S = 15 kVAV1 = 2400 VV2 = 240 V
ILV = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 500 kVA heeft een ijzerverlies van 2500 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,85 is het rendement 98,8%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 500 kVAPcore = 2500 Wpf = 0,85η = 98,8%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 1,147 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 20 + 6 = 26 Ω
R2 ∥ 26 = 3·26/(3+26) = 2,69 Ω
Req = R1 + 2,69 = 2 + 2,69 = 4,69 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 6/4,69 = 1,279 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 6 − 1,279·2 = 3,441 V
IR2 = VA/R2 = 3,441/3 = 1,147 A
Antwoord
IR2 = 1,147 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 3,251 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 2 + 20 = 22 Ω
R4 ∥ 22 = 5,867 Ω
R3 + 5,867 = 9,867 Ω
R2 ∥ 9,867 = 7,075 Ω
Req = R1 + 7,075 = 4 + 7,075 = 11,07 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 36/11,07 = 3,251 A
Antwoord
IR1 = 3,251 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: VA = 9,683 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 18 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/4 + (VA − 18)/15 + (VA − VB)/20 = 0
0,3667·VA − 0,05·VB = 1,2
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/15 + (VB − VA)/20 = 5
−0,05·VA + 0,1167·VB = 5
Oplossen
Δ = (0,3667)(0,1167) − (−0,05)(−0,05) = 0,04028
VA = Δ1/Δ = 0,39/0,04028 = 9,683 V
VB = Δ2/Δ = 1,893/0,04028 = 47,01 V
Antwoord
VA = 9,683 V
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR1 = 0,4148 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 24 V, V2 = 24 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/12 + (VA − 24)/30 + (VA − VB)/15 = 0
0,1833·VA − 0,06667·VB = 0,8
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 6·20/(6+20) = 4,615 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,615 + 10 = 14,62 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 18·20/(6+20) = 13,85 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 13,85/(14,62 + 3) = 0,786 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 60 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 20·12/(20+12) = 7,5 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 7,5 + 15 = 22,5 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 3,75 + 2,5·7,5 = 22,5 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 22,5 + 2,5·15 = 60 V
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: τ = 180,3 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Thévenin-equivalent gezien vanaf de condensator
Sluit de bron kort om Rth te vinden; laat de condensator open om de spanning te vinden waarop hij uitkomt.
Rth = R1 ∥ R2 = 2,2·10/(2,2 + 10) = 1,803 kΩ
vC(∞) = 24·10/(2,2 + 10) = 19,67 V
Tijdconstante
τ = Rth·C = 1,803·100 = 180,3 ms
Antwoord
τ = 180,3 ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i2 = 0,1885 mA
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginspanning van de condensator
In de stationaire toestand is de condensator een open circuit, dus R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler. De condensatorspanning kan niet verspringen als de schakelaar opent.
vC(0) = 9·4,7/(2,2 + 4,7) = 6,13 V
Tijdconstante nadat de schakelaar opent
τ = R2·C = 4,7·22 = 103,4 ms
Ontlading
vC(t) = 6,13·e−200/103,4 = 0,8861 V
i2 = vC/R2 = 0,8861/4,7 = 0,1885 mA
Antwoord
i2 = 0,1885 mA
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: |Z| = 77,53 Ω
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactantie
XL = ωL = 2π·500·0,1 = 314,2 Ω
Takstromen
Beide takken zijn rechtstreeks op de voeding aangesloten, dus elke tak krijgt de volle spanning V.
IR = V/R = 12/80 = 0,15 A
IX = V/XL = 12/314,2 = 0,0382 A
Totale stroom
De stroom door de weerstand is in fase met V en de reactieve stroom is 90° uit fase, dus ze tellen op als de zijden van een rechthoekige driehoek.
I = √(IR² + IX²) = √(0,15² + 0,0382²) = 0,1548 A
Impedantie
|Z| = V/I = 12/0,1548 = 77,53 Ω
Antwoord
|Z| = 77,53 Ω
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 0,1089 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·1000 = 6283 rad/s
XL = ωL = 6283·0,2 = 1257 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(6283·1·10⁻⁶) = 159,2 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 120/1102 = 0,1089 A
Antwoord
I = 0,1089 A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: Q = 31,57 kvar
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Hoek
φ = arccos(0,65) = 49,46°, tan φ = 1,169
Blindvermogen
Q = P·tan φ = 27·1,169 = 31,57 kvar
Antwoord
Q = 31,57 kvar
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: cos φ = 0,8063
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = 25·tan(arccos 0,7) = 25,51 kvar
QC = V²·2πf·C = 240²·2π·60·330·10⁻⁶ = 7166 var = 7,166 kvar
Q2 = 25,51 − 7,166 = 18,34 kvar
Nieuw schijnbaar vermogen
S2 = √(25² + 18,34²) = 31,01 kVA
Nieuwe arbeidsfactor
cos φ = P/S2 = 25/31,01 = 0,8063
Antwoord
cos φ = 0,8063
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: P = 13,82 kW
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Fasespanning
Vph = 480/√3 = 277,1 V
Fasestroom
|Z| = √(6² + 8²) = 10 Ω
Iph = 277,1/10 = 27,71 A
Totaal werkelijk vermogen
Alleen het resistieve deel van elke impedantie neemt werkelijk vermogen op.
P = 3·Iph²·R = 3·27,71²·6 = 13,82 kW
Antwoord
P = 13,82 kW
Controle: cos φ = R/|Z| = 0,6, en √3·VL·IL·cos φ geeft hetzelfde vermogen.
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 200,3 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 60·tan(acos 0,78) = 60·0,8023 = 48,14 kvar
Q2 = 60·tan(acos 0,98) = 60·0,2031 = 12,18 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 35,95 kvar
Capaciteit per fase
In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Nominale stroom
Beide wikkelingen voeren hetzelfde schijnbaar vermogen.
ILV = S/V = 15000/240 = 62,5 A
Antwoord
ILV = 62,5 A
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 2662 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.