Drie takken zijn aangesloten tussen knooppunt A en massa, zoals getekend. Gebruik de knooppuntmethode om de stroom I2 in tak 2 te vinden, die omhoog knooppunt A in stroomt in de richting van de pijl.
De spanningsbron Vₛ tussen A en B heeft haar +-klem bij B, dus ze legt VB − VA = Vₛ vast. Gebruik de knooppuntmethode met een superknooppunt om de stroom Ix door de spanningsbron te vinden, van A naar B zoals de pijl aangeeft.
Een belasting RL = 6 Ω is aangesloten over a–b. Vervang de rest van de schakeling door het Thévenin-equivalent en vind de belastingsstroom IL.
V1 = 10 VR1 = 20 ΩR2 = 6 ΩR3 = 20 ΩRL = 6 Ω
IL = A
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Norton-stroom IN: de stroom die van a naar b loopt als de klemmen kortgesloten zijn.
V1 = 24 VIs = 6 AR1 = 5 ΩR2 = 2 ΩR3 = 10 Ω
IN = A
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de spanning vL over de spoel op t = 5 ms.
Vs = 5 VR = 68 ΩL = 220 mHt = 5 ms
vL = V
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
De schakelaar is al lang gesloten, dus de schakeling is in de stationaire toestand. Op t = 0 gaat de schakelaar open. Vind de condensatorspanning vC op t = 250 ms.
Vs = 15 VR1 = 3,3 kΩR2 = 6,8 kΩC = 100 µFt = 250 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 60 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 100 V (rms)f = 60 HzR = 40 ΩL = 20 mHC = 100 µF
I = A
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling wordt gevoed door een bron van 2 V (rms) waarvan de frequentie is ingesteld op de resonantiefrequentie van de schakeling. Vind de effectieve spanning VL over de spoel.
V = 2 V (rms)R = 20 ΩL = 200 mHC = 0,47 µF
VL = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 240 V: een belasting van 29 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,85 en een belasting van 11 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,8. Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 10 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een voeding van 400 V, 60 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,98. Vind het blindvermogen QC dat de condensator moet leveren.
P = 10 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,98V = 400 Vf = 60 Hz
QC = kvar
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een symmetrische, in driehoek geschakelde belasting met een impedantie van 12 + j16 Ω per fase is aangesloten op een symmetrisch draaistroomnet met een lijnspanning van 208 V. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.
VL = 208 VZ = 12 + j16 Ω per fase
P = kW
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 120 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 690 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,92 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 120 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,92VL = 690 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 2:1 staat 480 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 10 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.
N1:N2 = 2:1V1 = 480 VRL = 10 Ω
I1 = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 100 kVA heeft een ijzerverlies van 300 W en een koperverlies van 750 W bij nominale belasting. Bij welke belasting Sη,max, in kVA, is het rendement het hoogst?
S = 100 kVAPcore = 300 WPcu,fl = 750 W
Sη,max = kVA
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 1,034 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 5 + 5 = 10 Ω
R2 ∥ 10 = 2·10/(2+10) = 1,667 Ω
Req = R1 + 1,667 = 8 + 1,667 = 9,667 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 12/9,667 = 1,241 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 12 − 1,241·8 = 2,069 V
IR2 = VA/R2 = 2,069/2 = 1,034 A
Antwoord
IR2 = 1,034 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,7317 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 8 + 2 = 10 Ω
R4 ∥ 10 = 7,143 Ω
R3 + 7,143 = 17,14 Ω
R2 ∥ 17,14 = 3,243 Ω
Req = R1 + 3,243 = 30 + 3,243 = 33,24 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 30/33,24 = 0,9024 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 30 − 0,9024·30 = 2,927 V
IR2 = VA/R2 = 2,927/4 = 0,7317 A
Antwoord
IR2 = 0,7317 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: I2 = −5,068 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
Neem de onderste draad als massa. Elke tak voert (VA − Vk)/Rk weg van A, waarbij Vk de spanning van de bron in die tak is (nul voor een gewone weerstand). De stromen die A verlaten zijn samen nul.
(VA − 6)/6 + (VA − (−15))/4 + (VA − 30)/5 = 0
Los VA op
VA = (6/6 + (−15)/4 + 30/5) / (1/6 + 1/4 + 1/5) = 3,25/0,6167 = 5,27 V
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
4.Knooppuntmethode
Antwoord: Ix = −3,808 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Vorm een superknooppunt
De spanningsbron tussen A en B voert een onbekende stroom, dus je kunt de stroomwet niet afzonderlijk in A of B opschrijven. Neem A, B en de bron samen in één superknooppunt: de stroom die erin gaat is gelijk aan de stroom die eruit komt.
VB = VA + 15
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + VB/R3 = Is
Oplossen
(VA − 5)/5 + VA/8 + (VA + 15)/25 = 5
VA·(1/5 + 1/8 + 1/25) = 5 + 5/5 − 15/25 = 5,4
VA = 5,4/0,365 = 14,79 V
VB = 29,79 V
Stroom door de spanningsbron
Stroomwet in knooppunt A alleen: de stroom die via R₁ aankomt, verlaat A via R₂ en via de spanningsbron.
IR1 = (5 − 14,79)/5 = −1,959 A
Ix = IR1 − VA/R2 = −1,959 − 14,79/8 = −3,808 A
Antwoord
Ix = −3,808 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,07538 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 20·6/(20+6) = 4,615 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,615 + 20 = 24,62 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 10·6/(20+6) = 2,308 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 2,308/(24,62 + 6) = 0,07538 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IN = 6,6 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 5·2/(5+2) = 1,429 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,429 + 10 = 11,43 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 6,857 + 6·1,429 = 15,43 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 15,43 + 6·10 = 75,43 V
Norton-equivalent
Een Norton-bron is dezelfde schakeling, gezien als een stroombron parallel aan R_th. De stroom is de kortsluitstroom tussen a–b.
IN = Vth/Rth = 75,43/11,43 = 6,6 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vL = 1,066 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 220 mH / 68 Ω = 3,235 ms
i(∞) = Vs/R = 5/68 = 0,07353 A
Spoelspanning
Op t = 0 staat de hele voedingsspanning over de spoel; daarna neemt die af tot nul.
vL(t) = Vs·e−t/τ = 5·e−5/3,235 = 1,066 V
Antwoord
vL = 1,066 V
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 6,992 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginspanning van de condensator
In de stationaire toestand is de condensator een open circuit, dus R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler. De condensatorspanning kan niet verspringen als de schakelaar opent.
vC(0) = 15·6,8/(3,3 + 6,8) = 10,1 V
Tijdconstante nadat de schakelaar opent
τ = R2·C = 6,8·100 = 680 ms
Ontlading
vC(t) = 10,1·e−250/680 = 6,992 V
Antwoord
vC = 6,992 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 2,258 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·60 = 377 rad/s
XL = ωL = 377·0,02 = 7,54 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(377·100·10⁻⁶) = 26,53 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 100/44,28 = 2,258 A
Antwoord
I = 2,258 A
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VL = 65,23 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de reactanties elkaar op, dus de impedantie is gewoon R.
ω₀ = 1/√(LC) = 1/√(0,2·0,47·10⁻⁶) = 3262 rad/s
I = V/R = 2/20 = 0,1 A
Spanning over de spoel
XL = ω₀L = 3262·0,2 = 652,3 Ω
VL = I·XL = 0,1·652,3 = 65,23 V
Antwoord
VL = 65,23 V
Dit is Q = 32,62 keer de voedingsspanning.
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 199,3 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 29·tan(arccos 0,85) = 17,97 kvar
Q2 = 11·tan(arccos 0,8) = 8,25 kvar
Totalen
P = 29 + 11 = 40 kW
Q = 17,97 + 8,25 = 26,22 kvar
S = √(40² + 26,22²) = 47,83 kVA
Totale stroom
I = S/V = 47829/240 = 199,3 A
Antwoord
I = 199,3 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: QC = 5,469 kvar
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 10·tan(36,87°) = 7,5 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 10·tan(11,48°) = 2,031 kvar
QC = Q1 − Q2 = 5,469 kvar
Antwoord
QC = 5,469 kvar
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: P = 3,894 kW
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Fasespanning
Vph = VL = 208 V
Fasestroom
|Z| = √(12² + 16²) = 20 Ω
Iph = 208/20 = 10,4 A
Totaal werkelijk vermogen
Alleen het resistieve deel van elke impedantie neemt werkelijk vermogen op.
P = 3·Iph²·R = 3·10,4²·12 = 3,894 kW
Antwoord
P = 3,894 kW
Controle: cos φ = R/|Z| = 0,6, en √3·VL·IL·cos φ geeft hetzelfde vermogen.
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 216,6 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 120·tan(acos 0,8) = 120·0,75 = 90 kvar
Q2 = 120·tan(acos 0,92) = 120·0,426 = 51,12 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 38,88 kvar
Capaciteit per fase
In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Secundaire spanning en stroom
V2 = 480/2 = 240 V
I2 = 240/10 = 24 A
Primaire stroom
Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.
I1 = I2/2 = 12 A
Antwoord
I1 = 12 A
Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 40 Ω, en 480/40 geeft dezelfde stroom.
16.Transformatoren
Antwoord: Sη,max = 63,25 kVA
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.