Gebruik de knooppuntmethode om het vermogen PIs te vinden dat de stroombron Is levert.
V1 = 6 VIs = 1 AR1 = 3 ΩR2 = 2 ΩR3 = 3 ΩR4 = 5 Ω
PIs = W
4.KnooppuntmethodeMoeilijk
De spanningsbron Vₛ tussen A en B heeft haar +-klem bij B, dus ze legt VB − VA = Vₛ vast. Gebruik de knooppuntmethode met een superknooppunt om de knooppuntspanning VB (gemeten ten opzichte van massa) te vinden.
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de stroom i op t = 1 ms.
Vs = 5 VR = 47 ΩL = 33 mHt = 1 ms
i = A
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 20 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Hoe lang duurt het voordat vC 23,2 V bereikt? Vind t.
Vs = 24 VR = 10 kΩC = 10 µFvC(0) = 20 V
t = ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 200 Hz. Vind de fasehoek φ van de impedantie, in graden (positief als de stroom achterloopt op de spanning).
V = 24 V (rms)f = 200 HzR = 30 ΩL = 100 mHC = 4,7 µF
φ = °
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 200 Hz. Vind de effectieve spanning VC over de condensator.
V = 100 V (rms)f = 200 HzR = 10 ΩL = 150 mHC = 100 µF
VC = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 240 V: een belasting van 25 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,75 en een verwarmingselement van 22 kW (arbeidsfactor 1). Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 10 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,65 uit een voeding van 240 V, 60 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,9. Vind het blindvermogen QC dat de condensator moet leveren.
P = 10 kWpf1 = 0,65pf2 = 0,9V = 240 Vf = 60 Hz
QC = kvar
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 75 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 92% en de arbeidsfactor 0,8 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 480 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 75 kWη = 92%cos φ = 0,8VL = 480 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 50 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,78 uit een net van 690 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,9 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 50 kWpf1 = 0,78pf2 = 0,9VL = 690 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Een eenfasetransformator van 150 kVA, 10000/400 V werkt bij nominale belasting. Beschouw hem als ideaal. Vind de stroom IHV in de hoogspanningswikkeling.
S = 150 kVAV1 = 10000 VV2 = 400 V
IHV = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 100 kVA heeft een ijzerverlies van 500 W en een koperverlies van 750 W bij nominale belasting. Bij welke belasting Sη,max, in kVA, is het rendement het hoogst?
S = 100 kVAPcore = 500 WPcu,fl = 750 W
Sη,max = kVA
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 25,48 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 10 + 12 = 22 Ω
R2 ∥ 22 = 20·22/(20+22) = 10,48 Ω
Req = R1 + 10,48 = 15 + 10,48 = 25,48 Ω
Antwoord
Req = 25,48 Ω
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 15,57 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 3 + 25 = 28 Ω
R4 ∥ 28 = 3,5 Ω
R3 + 3,5 = 15,5 Ω
R2 ∥ 15,5 = 9,568 Ω
Req = R1 + 9,568 = 6 + 9,568 = 15,57 Ω
Antwoord
Req = 15,57 Ω
3.Knooppuntmethode
Antwoord: PIs = 3,587 W
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/2 + (VA − 6)/3 + (VA − VB)/3 = 0
1,167·VA − 0,3333·VB = 2
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/5 + (VB − VA)/3 = 1
−0,3333·VA + 0,5333·VB = 1
Oplossen
Δ = (1,167)(0,5333) − (−0,3333)(−0,3333) = 0,5111
VA = Δ1/Δ = 1,4/0,5111 = 2,739 V
VB = Δ2/Δ = 1,833/0,5111 = 3,587 V
Vermogen geleverd door de stroombron
De bron duwt Iₛ omhoog knooppunt B in, van massa (0 V) naar VB. Een bron waarvan de stroom bij de +-klem naar buiten komt, levert P = V·I.
PIs = VB·Is = 3,587·1 = 3,587 W
Antwoord
PIs = 3,587 W
4.Knooppuntmethode
Antwoord: VB = 13,48 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Vorm een superknooppunt
De spanningsbron tussen A en B voert een onbekende stroom, dus je kunt de stroomwet niet afzonderlijk in A of B opschrijven. Neem A, B en de bron samen in één superknooppunt: de stroom die erin gaat is gelijk aan de stroom die eruit komt.
VB = VA + 8
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + VB/R3 = Is
Oplossen
(VA − 15)/25 + VA/8 + (VA + 8)/5 = 3
VA·(1/25 + 1/8 + 1/5) = 3 + 15/25 − 8/5 = 2
VA = 2/0,365 = 5,479 V
VB = 13,48 V
Antwoord
VB = 13,48 V
5.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 8 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 2·4/(2+4) = 1,333 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,333 + 2 = 3,333 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 12·4/(2+4) = 8 V
6.Thévenin en Norton
Antwoord: PL = 36,15 W
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 6·15/(6+15) = 4,286 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,286 + 6 = 10,29 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 12,86 + 2,5·4,286 = 23,57 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 23,57 + 2,5·6 = 38,57 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 38,57/(10,29 + 10) = 1,901 A
PL = IL²·RL = 1,901²·10 = 36,15 W
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i = 0,08078 A
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
t = τ·ln((20 − 24)/(23,2 − 24)) = 100·ln(5) = 160,9 ms
Antwoord
t = 160,9 ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: φ = −55,5 °
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·200 = 1257 rad/s
XL = ωL = 1257·0,1 = 125,7 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(1257·4,7·10⁻⁶) = 169,3 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·200 = 1257 rad/s
XL = ωL = 1257·0,15 = 188,5 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(1257·100·10⁻⁶) = 7,958 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 100/180,8 = 0,5531 A
Spanning over de condensator
VC = I·XC = 0,5531·7,958 = 4,401 V
Antwoord
VC = 4,401 V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 216,3 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 25·tan(arccos 0,75) = 22,05 kvar
Q2 = 0 = 0 kvar
Totalen
P = 25 + 22 = 47 kW
Q = 22,05 + 0 = 22,05 kvar
S = √(47² + 22,05²) = 51,91 kVA
Totale stroom
I = S/V = 51914/240 = 216,3 A
Antwoord
I = 216,3 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: QC = 6,848 kvar
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 10·tan(49,46°) = 11,69 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 10·tan(25,84°) = 4,843 kvar
QC = Q1 − Q2 = 6,848 kvar
Antwoord
QC = 6,848 kvar
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 122,6 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 75/0,92 = 81,52 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 81522/(√3·480·0,8) = 122,6 A
Antwoord
IL = 122,6 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 29,53 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 50·tan(acos 0,78) = 50·0,8023 = 40,11 kvar
Q2 = 50·tan(acos 0,9) = 50·0,4843 = 24,22 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 15,9 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
V = 690 V, ω = 2π·60 = 377 rad/s
Cph = (QC/3)/(ω·V²) = 5299/(377·690²) = 29,53 µF
Antwoord
Cph = 29,53 µF
15.Transformatoren
Antwoord: IHV = 15 A
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Nominale stroom
Beide wikkelingen voeren hetzelfde schijnbaar vermogen.
IHV = S/V = 150000/10000 = 15 A
Antwoord
IHV = 15 A
16.Transformatoren
Antwoord: Sη,max = 81,65 kVA
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.