Drie takken zijn aangesloten tussen knooppunt A en massa, zoals getekend. Gebruik de knooppuntmethode om de stroom I2 in tak 2 te vinden, die omhoog knooppunt A in stroomt in de richting van de pijl.
V1 = 9 VR1 = 15 ΩV2 = 12 VR2 = 12 ΩR3 = 2 Ω
I2 = A
4.KnooppuntmethodeMoeilijk
De stroombron wordt bijgesteld tot de knooppuntspanning in A gelijk is aan VA = 9 V. Gebruik de knooppuntmethode om de bronstroom Is te vinden (richting zoals getekend).
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 15 VR1 = 15 ΩR2 = 20 ΩR3 = 8 Ω
Vth = V
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 6 VIs = 1 AR1 = 20 ΩR2 = 10 ΩR3 = 3 Ω
Vth = V
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert een constante stroom van 2 A. Op t = 0 sluit de schakelaar de kring via R en wordt de bron verwijderd, zodat de spoelstroom via R uitdooft. Hoe lang duurt het voordat de stroom gedaald is tot 0,2 A? Vind t.
i(0) = 2 AR = 33 ΩL = 150 mH
t = ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 6 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Hoe lang duurt het voordat vC 8,8 V bereikt? Vind t.
Vs = 10 VR = 10 kΩC = 10 µFvC(0) = 6 V
t = ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een weerstand en een spoel zijn parallel aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 100 Hz. Vind de fasehoek φ van de impedantie, in graden (positief als de stroom achterloopt op de spanning).
V = 24 V (rms)f = 100 HzR = 50 ΩL = 20 mH
φ = °
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 60 Hz. Vind de resonantiefrequentie f0 van de schakeling.
V = 100 V (rms)f = 60 HzR = 50 ΩL = 250 mHC = 22 µF
f0 = Hz
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een inductieve belasting neemt 3,5 A en 604 W op uit een eenfasige voeding van 230 V (rms). Modelleer haar als een weerstand R in serie met een reactantie X. Vind R.
V = 230 VI = 3,5 AP = 604 W
R = Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige belasting neemt 20 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,7 uit een voeding van 230 V, 60 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,9. Vind de benodigde capaciteit C.
P = 20 kWpf1 = 0,7pf2 = 0,9V = 230 Vf = 60 Hz
C = µF
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 30 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 92% en de arbeidsfactor 0,9 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 415 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 30 kWη = 92%cos φ = 0,9VL = 415 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 50 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,78 uit een net van 400 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,95 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 50 kWpf1 = 0,78pf2 = 0,95VL = 400 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 10:1 staat 1200 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 60 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.
N1:N2 = 10:1V1 = 1200 VRL = 60 Ω
I1 = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 100 kVA heeft een ijzerverlies van 500 W en een koperverlies van 750 W bij nominale belasting. Hij levert 75% van zijn nominale kVA bij een inductieve arbeidsfactor van 0,9. Vind de totale verliezen Ploss in watt bij deze belasting.
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 3 + 4 = 7 Ω
R2 ∥ 7 = 3·7/(3+7) = 2,1 Ω
Req = R1 + 2,1 = 2 + 2,1 = 4,1 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 10/4,1 = 2,439 A
Antwoord
IR1 = 2,439 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,8884 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 3 + 5 = 8 Ω
R4 ∥ 8 = 2,667 Ω
R3 + 2,667 = 32,67 Ω
R2 ∥ 32,67 = 1,885 Ω
Req = R1 + 1,885 = 15 + 1,885 = 16,88 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 15/16,88 = 0,8884 A
Antwoord
IR1 = 0,8884 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: I2 = 0,7949 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
Neem de onderste draad als massa. Elke tak voert (VA − Vk)/Rk weg van A, waarbij Vk de spanning van de bron in die tak is (nul voor een gewone weerstand). De stromen die A verlaten zijn samen nul.
(VA − 9)/15 + (VA − 12)/12 + VA/2 = 0
Los VA op
VA = (9/15 + 12/12 + 0/2) / (1/15 + 1/12 + 1/2) = 1,6/0,65 = 2,462 V
Takstroom
De pijl wijst omhoog door de tak, knooppunt A in.
I2 = (12 − VA)/R2 = (12 − 2,462)/12 = 0,7949 A
Antwoord
I2 = 0,7949 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
4.Knooppuntmethode
Antwoord: Is = 4,5 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
VA is bekend, dus deze vergelijking geeft VB.
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + (VA − VB)/R3 = 0
(9 − 30)/10 + 9/3 = (VB − 9)/10
0,9 = (VB − 9)/10 → VB = 18 V
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten zijn gelijk aan de stroom die bronnen B in duwen.
Is = (VB − VA)/R3 + VB/R4 = (18 − 9)/10 + 18/5 = 4,5 A
Antwoord
Is = 4,5 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 8,571 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 15·20/(15+20) = 8,571 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 8,571 + 8 = 16,57 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 15·20/(15+20) = 8,571 V
6.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 11,67 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 20·10/(20+10) = 6,667 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 6,667 + 3 = 9,667 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 2 + 1·6,667 = 8,667 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 8,667 + 1·3 = 11,67 V
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: t = 10,47 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante
τ = L/R = 150 mH / 33 Ω = 4,545 ms
Los op naar de tijd
0,2 = 2·e−t/τ → t = τ·ln(2/0,2)
t = 4,545·ln(10) = 10,47 ms
Antwoord
t = 10,47 ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: t = 120,4 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
t = τ·ln((6 − 10)/(8,8 − 10)) = 100·ln(3,333) = 120,4 ms
Antwoord
t = 120,4 ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: φ = 75,89 °
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactantie
XL = ωL = 2π·100·0,02 = 12,57 Ω
Takstromen
Beide takken zijn rechtstreeks op de voeding aangesloten, dus elke tak krijgt de volle spanning V.
IR = V/R = 24/50 = 0,48 A
IX = V/XL = 24/12,57 = 1,91 A
Totale stroom
De stroom door de weerstand is in fase met V en de reactieve stroom is 90° uit fase, dus ze tellen op als de zijden van een rechthoekige driehoek.
I = √(IR² + IX²) = √(0,48² + 1,91²) = 1,969 A
Fasehoek
De spoelstroom ijlt na op V, dus de totale stroom ijlt na en de hoek is positief.
φ = arctan(IX/IR) = arctan(1,91/0,48) = 75,89°
Antwoord
φ = 75,89°
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: f0 = 67,86 Hz
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de inductieve en capacitieve reactantie elkaar op: ωL = 1/(ωC). De voedingsfrequentie doet er niet toe.
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Weerstand uit het werkelijk vermogen
R = P/I² = 604/3,5² = 49,31 Ω
Antwoord
R = 49,31 Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: C = 537,4 µF
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 20·tan(45,57°) = 20,4 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 20·tan(25,84°) = 9,686 kvar
QC = Q1 − Q2 = 10,72 kvar
Capaciteit
Een condensator over de voeding levert Q = V²·ωC.
C = QC/(2πf·V²) = 10718/(2π·60·230²) = 537,4 µF
Antwoord
C = 537,4 µF
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 50,41 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 30/0,92 = 32,61 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 32609/(√3·415·0,9) = 50,41 A
Antwoord
IL = 50,41 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 130,9 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 50·tan(acos 0,78) = 50·0,8023 = 40,11 kvar
Q2 = 50·tan(acos 0,95) = 50·0,3287 = 16,43 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 23,68 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
V = 400 V, ω = 2π·60 = 377 rad/s
Cph = (QC/3)/(ω·V²) = 7893/(377·400²) = 130,9 µF
Antwoord
Cph = 130,9 µF
15.Transformatoren
Antwoord: I1 = 0,2 A
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Secundaire spanning en stroom
V2 = 1200/10 = 120 V
I2 = 120/60 = 2 A
Primaire stroom
Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.
I1 = I2/10 = 0,2 A
Antwoord
I1 = 0,2 A
Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 6000 Ω, en 1200/6000 geeft dezelfde stroom.
16.Transformatoren
Antwoord: Ploss = 921,9 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.