Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 24 VR1 = 4 ΩR2 = 6 ΩR3 = 6 Ω
Vth = V
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 18 VIs = 2 AR1 = 25 ΩR2 = 12 ΩR3 = 12 Ω
Vth = V
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de energie W(∞) die in de spoel is opgeslagen als de schakeling tot rust is gekomen, in mJ.
Vs = 15 VR = 5 ΩL = 220 mH
W(∞) = mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 18 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Vind de condensatorspanning vC op t = 250 ms.
Vs = 24 VR = 3,3 kΩC = 33 µFvC(0) = 18 Vt = 250 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een weerstand en een condensator zijn parallel aangesloten op een voeding van 230 V (rms), 200 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 230 V (rms)f = 200 HzR = 60 ΩC = 4,7 µF
I = A
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 50 V (rms), 60 Hz. Vind de effectieve spanning VC over de condensator.
V = 50 V (rms)f = 60 HzR = 100 ΩL = 200 mHC = 2,2 µF
VC = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 400 V: een belasting van 15 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,75 en een verwarmingselement van 10 kW (arbeidsfactor 1). Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 5 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een voeding van 400 V, 50 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,95. Vind de nieuwe lijnstroom Inew.
P = 5 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,95V = 400 Vf = 50 Hz
Inew = A
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een symmetrische driefasige belasting neemt een lijnstroom van 75 A op uit een net met een lijnspanning van 208 V. De arbeidsfactor is 0,95 inductief. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.
VL = 208 VIL = 75 Acos φ = 0,95
P = kW
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 100 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 480 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,98 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. Vind het totale blindvermogen QC dat de condensatorbank moet leveren, in kvar.
P = 100 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,98VL = 480 Vf = 50 Hz
QC = kvar
15.TransformatorenGemiddeld
Over de secundaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 3:1 is een weerstand van 10 Ω aangesloten. Vind de weerstand R1′ gezien vanaf de primaire wikkeling.
N1:N2 = 3:1RL = 10 Ω
R1′ = Ω
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 50 kVA heeft een ijzerverlies van 200 W en een koperverlies van 600 W bij nominale belasting. Bij welke belasting Sη,max, in kVA, is het rendement het hoogst?
S = 50 kVAPcore = 200 WPcu,fl = 600 W
Sη,max = kVA
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 22,88 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 8 + 5 = 13 Ω
R2 ∥ 13 = 20·13/(20+13) = 7,879 Ω
Req = R1 + 7,879 = 15 + 7,879 = 22,88 Ω
Antwoord
Req = 22,88 Ω
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 2,352 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 20 + 30 = 50 Ω
R4 ∥ 50 = 3,704 Ω
R3 + 3,704 = 15,7 Ω
R2 ∥ 15,7 = 10,31 Ω
Req = R1 + 10,31 = 5 + 10,31 = 15,31 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 36/15,31 = 2,352 A
Antwoord
IR1 = 2,352 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: PIs = 87,5 W
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/15 + (VA − 18)/8 + (VA − VB)/4 = 0
0,4417·VA − 0,25·VB = 2,25
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/4 + (VB − VA)/4 = 5
−0,25·VA + 0,5·VB = 5
Oplossen
Δ = (0,4417)(0,5) − (−0,25)(−0,25) = 0,1583
VA = Δ1/Δ = 2,375/0,1583 = 15 V
VB = Δ2/Δ = 2,771/0,1583 = 17,5 V
Vermogen geleverd door de stroombron
De bron duwt Iₛ omhoog knooppunt B in, van massa (0 V) naar VB. Een bron waarvan de stroom bij de +-klem naar buiten komt, levert P = V·I.
PIs = VB·Is = 17,5·5 = 87,5 W
Antwoord
PIs = 87,5 W
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR1 = 0,8152 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 10 V, V2 = 24 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/10 + (VA − 10)/4 + (VA − VB)/8 = 0
0,475·VA − 0,125·VB = 2,5
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R5 + (VB − VA)/R2 + (VB − V2)/R4 = Is
VB/10 + (VB − VA)/8 + (VB − 24)/20 = (−0,5)
−0,125·VA + 0,275·VB = 0,7
Oplossen
Δ = (0,475)(0,275) − (−0,125)(−0,125) = 0,115
VA = Δ1/Δ = 0,775/0,115 = 6,739 V
VB = Δ2/Δ = 0,645/0,115 = 5,609 V
Antwoord
IR1 = (V1 − VA)/R1 = (10 − 6,739)/4 = 0,8152 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 14,4 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 4·6/(4+6) = 2,4 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 2,4 + 6 = 8,4 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 24·6/(4+6) = 14,4 V
6.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 46,05 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 25·12/(25+12) = 8,108 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 8,108 + 12 = 20,11 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 5,838 + 2·8,108 = 22,05 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 22,05 + 2·12 = 46,05 V
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: W(∞) = 990 mJ
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 220 mH / 5 Ω = 44 ms
i(∞) = Vs/R = 15/5 = 3 A
Opgeslagen energie
W(∞) = ½·L·i(∞)² = ½·220·3² = 990 mJ
Antwoord
W(∞) = 990 mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 23,4 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
vC(0) = 18 V, vC(∞) = Vs = 24 V
τ = R·C = 3,3 kΩ · 33 µF = 108,9 ms
vC(t) = 24 + (18 − 24)·e−t/τ
Spanning op het gegeven tijdstip
vC(250) = 24 + (−6)·e−250/108,9 = 23,4 V
Antwoord
vC = 23,4 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 4,067 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactantie
XC = 1/(ωC) = 1/(2π·200·4,7·10⁻⁶) = 169,3 Ω
Takstromen
Beide takken zijn rechtstreeks op de voeding aangesloten, dus elke tak krijgt de volle spanning V.
IR = V/R = 230/60 = 3,833 A
IX = V/XC = 230/169,3 = 1,358 A
Totale stroom
De stroom door de weerstand is in fase met V en de reactieve stroom is 90° uit fase, dus ze tellen op als de zijden van een rechthoekige driehoek.
I = √(IR² + IX²) = √(3,833² + 1,358²) = 4,067 A
Antwoord
I = 4,067 A
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VC = 53,13 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·60 = 377 rad/s
XL = ωL = 377·0,2 = 75,4 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(377·2,2·10⁻⁶) = 1206 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 50/1135 = 0,04406 A
Spanning over de condensator
VC = I·XC = 0,04406·1206 = 53,13 V
Antwoord
VC = 53,13 V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 70,71 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 15·tan(arccos 0,75) = 13,23 kvar
Q2 = 0 = 0 kvar
Totalen
P = 15 + 10 = 25 kW
Q = 13,23 + 0 = 13,23 kvar
S = √(25² + 13,23²) = 28,28 kVA
Totale stroom
I = S/V = 28284/400 = 70,71 A
Antwoord
I = 70,71 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: Inew = 13,16 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 5·tan(36,87°) = 3,75 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 5·tan(18,19°) = 1,643 kvar
QC = Q1 − Q2 = 2,107 kvar
Nieuwe lijnstroom
Inew = P/(V·cos φ2) = 5000/(400·0,95) = 13,16 A
Antwoord
Inew = 13,16 A
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: P = 25,67 kW
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Schijnbaar vermogen
S = √3·VL·IL = √3·208·75 = 27,02 kVA
Werkelijk vermogen
P = S·cos φ = 27,02·0,95 = 25,67 kW
Antwoord
P = 25,67 kW
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: QC = 54,69 kvar
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 100·tan(acos 0,8) = 100·0,75 = 75 kvar
Q2 = 100·tan(acos 0,98) = 100·0,2031 = 20,31 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 54,69 kvar
Antwoord
QC = 54,69 kvar
15.Transformatoren
Antwoord: R1′ = 90 Ω
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Overgebrachte weerstand
De spanning gaat omhoog met a en de stroom omlaag met a, dus de verhouding V/I gaat omhoog met a².
R1′ = a²·RL = 3²·10 = 90 Ω
Antwoord
R1′ = 90 Ω
16.Transformatoren
Antwoord: Sη,max = 28,87 kVA
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.