De ruit is een spanningsgestuurde stroombron die een stroom van 0,05·VA (in A, met VA in V) omhoog knooppunt B in duwt. Gebruik de knooppuntmethode om de stroom IR4 door R4 in de richting van de pijl te vinden.
Een belasting RL = 3 Ω is aangesloten over a–b. Vervang de rest van de schakeling door het Thévenin-equivalent en vind de belastingsstroom IL.
V1 = 6 VR1 = 20 ΩR2 = 15 ΩR3 = 5 ΩRL = 3 Ω
IL = A
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.
V1 = 9 VIs = 6 AR1 = 8 ΩR2 = 10 ΩR3 = 12 Ω
Vth = V
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De bron Vₛ laadt de condensator op via R₁, en R₂ staat parallel aan C. De condensator is ongeladen als de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de tijdconstante τ van de schakeling nadat de schakelaar sluit.
Vs = 6 VR1 = 2,2 kΩR2 = 3,3 kΩC = 100 µF
τ = ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 4 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Vind de condensatorspanning vC op t = 150 ms.
Vs = 20 VR = 4,7 kΩC = 100 µFvC(0) = 4 Vt = 150 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 230 V (rms), 200 Hz. Vind het werkelijk vermogen P dat uit de voeding wordt opgenomen.
V = 230 V (rms)f = 200 HzR = 30 ΩL = 100 mHC = 47 µF
P = W
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling wordt gevoed door een bron van 5 V (rms) waarvan de frequentie is ingesteld op de resonantiefrequentie van de schakeling. Vind de effectieve spanning VL over de spoel.
V = 5 V (rms)R = 50 ΩL = 50 mHC = 0,22 µF
VL = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een eenfasige motor neemt 30 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,85 uit een voeding van 230 V. Vind het blindvermogen Q dat hij opneemt.
P = 30 kWpf = 0,85V = 230 V
Q = kvar
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een bron van 120 V (rms), 1000 Hz heeft een inwendige impedantie Zs = 10 + j30 Ω. De belastingsimpedantie ZL kan vrij worden gekozen. De belasting voor maximaal vermogen bestaat uit een weerstand in serie met een condensator. Vind de capaciteit C.
Vs = 120 V (rms)f = 1000 HzZs = 10 + j30 Ω
C = µF
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 75 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 94% en de arbeidsfactor 0,9 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 690 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 75 kWη = 94%cos φ = 0,9VL = 690 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 50 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,72 uit een net van 480 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,92 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. Vind het totale blindvermogen QC dat de condensatorbank moet leveren, in kvar.
P = 50 kWpf1 = 0,72pf2 = 0,92VL = 480 Vf = 50 Hz
QC = kvar
15.TransformatorenGemiddeld
Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 2:1 staat 240 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 5 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.
N1:N2 = 2:1V1 = 240 VRL = 5 Ω
I1 = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 250 kVA heeft een ijzerverlies van 1000 W en een koperverlies van 2000 W bij nominale belasting. Bij welke belasting Sη,max, in kVA, is het rendement het hoogst?
S = 250 kVAPcore = 1000 WPcu,fl = 2000 W
Sη,max = kVA
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 1,714 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 2 + 2 = 4 Ω
R2 ∥ 4 = 5·4/(5+4) = 2,222 Ω
Req = R1 + 2,222 = 4 + 2,222 = 6,222 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 24/6,222 = 3,857 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 24 − 3,857·4 = 8,571 V
IR2 = VA/R2 = 8,571/5 = 1,714 A
Antwoord
IR2 = 1,714 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 6,969 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 3 + 3 = 6 Ω
R4 ∥ 6 = 2,727 Ω
R3 + 2,727 = 5,727 Ω
R2 ∥ 5,727 = 1,969 Ω
Req = R1 + 1,969 = 5 + 1,969 = 6,969 Ω
Antwoord
Req = 6,969 Ω
3.Knooppuntmethode
Antwoord: IR1 = 0,6716 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 30 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/10 + (VA − 30)/12 + (VA − VB)/10 = 0
0,2833·VA − 0,1·VB = 2,5
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/15 + (VB − VA)/10 = 4
−0,1·VA + 0,1667·VB = 4
Oplossen
Δ = (0,2833)(0,1667) − (−0,1)(−0,1) = 0,03722
VA = Δ1/Δ = 0,8167/0,03722 = 21,94 V
VB = Δ2/Δ = 1,383/0,03722 = 37,16 V
Antwoord
IR1 = (V1 − VA)/R1 = (30 − 21,94)/12 = 0,6716 A
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR4 = 0,7075 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten zijn gelijk aan de stroom die bronnen A in duwen.
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + (VA − VB)/R3 = 0
0,45·VA − 0,2·VB = 1,5
Stroomwet in knooppunt B
De afhankelijke bron duwt g·VA knooppunt B in. Behandel haar als een onafhankelijke bron en breng daarna de term met VA naar het linkerlid.
(VB − VA)/R3 + VB/R4 = 0,05·VA
−0,25·VA + 0,7·VB = 0
Oplossen
Δ = (0,45)(0,7) − (−0,2)(−0,25) = 0,265
VA = Δ1/Δ = 1,05/0,265 = 3,962 V
VB = Δ2/Δ = 0,375/0,265 = 1,415 V
Stroom door R₄
IR4 = VB/R4 = 1,415/2 = 0,7075 A
Antwoord
IR4 = 0,7075 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,1552 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 20·15/(20+15) = 8,571 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 8,571 + 5 = 13,57 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 6·15/(20+15) = 2,571 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 2,571/(13,57 + 3) = 0,1552 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: Vth = 103,7 V
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 8·10/(8+10) = 4,444 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,444 + 12 = 16,44 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 5 + 6·4,444 = 31,67 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 31,67 + 6·12 = 103,7 V
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: τ = 132 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Thévenin-equivalent gezien vanaf de condensator
Sluit de bron kort om Rth te vinden; laat de condensator open om de spanning te vinden waarop hij uitkomt.
Rth = R1 ∥ R2 = 2,2·3,3/(2,2 + 3,3) = 1,32 kΩ
vC(∞) = 6·3,3/(2,2 + 3,3) = 3,6 V
Tijdconstante
τ = Rth·C = 1,32·100 = 132 ms
Antwoord
τ = 132 ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 8,372 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
vC(0) = 4 V, vC(∞) = Vs = 20 V
τ = R·C = 4,7 kΩ · 100 µF = 470 ms
vC(t) = 20 + (4 − 20)·e−t/τ
Spanning op het gegeven tijdstip
vC(150) = 20 + (−16)·e−150/470 = 8,372 V
Antwoord
vC = 8,372 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: P = 124,7 W
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
XL = 125,7 Ω, XC = 16,93 Ω
Impedantie
|Z| = √(30² + (108,7)²) = 112,8 Ω
Werkelijk vermogen
Spoelen en condensatoren slaan alleen energie op en geven die terug; de weerstand neemt al het werkelijk vermogen op.
I = 230/112,8 = 2,039 A
P = I²·R = 2,039²·30 = 124,7 W
Antwoord
P = 124,7 W
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VL = 47,67 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de reactanties elkaar op, dus de impedantie is gewoon R.
ω₀ = 1/√(LC) = 1/√(0,05·0,22·10⁻⁶) = 9535 rad/s
I = V/R = 5/50 = 0,1 A
Spanning over de spoel
XL = ω₀L = 9535·0,05 = 476,7 Ω
VL = I·XL = 0,1·476,7 = 47,67 V
Antwoord
VL = 47,67 V
Dit is Q = 9,535 keer de voedingsspanning.
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: Q = 18,59 kvar
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Hoek
φ = arccos(0,85) = 31,79°, tan φ = 0,6197
Blindvermogen
Q = P·tan φ = 30·0,6197 = 18,59 kvar
Antwoord
Q = 18,59 kvar
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: C = 5,305 µF
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Complex geconjugeerde aanpassing
De reactantie van de belasting heft die van de bron op, en de belastingsweerstand is gelijk aan de bronweerstand.
ZL = Zs* = 10 − j30 Ω
Capaciteit
XC = 30 Ω → C = 1/(2π·1000·30) = 5,305 µF
Antwoord
C = 5,305 µF
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 74,18 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 75/0,94 = 79,79 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 79787/(√3·690·0,9) = 74,18 A
Antwoord
IL = 74,18 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: QC = 26,89 kvar
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 50·tan(acos 0,72) = 50·0,9639 = 48,19 kvar
Q2 = 50·tan(acos 0,92) = 50·0,426 = 21,3 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 26,89 kvar
Antwoord
QC = 26,89 kvar
15.Transformatoren
Antwoord: I1 = 12 A
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Secundaire spanning en stroom
V2 = 240/2 = 120 V
I2 = 120/5 = 24 A
Primaire stroom
Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.
I1 = I2/2 = 12 A
Antwoord
I1 = 12 A
Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 20 Ω, en 240/20 geeft dezelfde stroom.
16.Transformatoren
Antwoord: Sη,max = 176,8 kVA
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.