Drie takken zijn aangesloten tussen knooppunt A en massa, zoals getekend. Gebruik de knooppuntmethode om de stroom I3 in tak 3 te vinden, die omhoog knooppunt A in stroomt in de richting van de pijl.
De stroombron wordt bijgesteld tot de knooppuntspanning in A gelijk is aan VA = 5 V. Gebruik de knooppuntmethode om de bronstroom Is te vinden (richting zoals getekend).
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de spanning vL over de spoel op t = 1 ms.
Vs = 9 VR = 47 ΩL = 68 mHt = 1 ms
vL = V
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 30 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Vind de condensatorspanning vC op t = 20 ms.
Vs = 12 VR = 1 kΩC = 47 µFvC(0) = 30 Vt = 20 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 200 Hz. Vind de arbeidsfactor cos φ van de schakeling.
V = 24 V (rms)f = 200 HzR = 50 ΩL = 250 mHC = 100 µF
cos φ =
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling wordt gevoed door een bron van 5 V (rms) waarvan de frequentie is ingesteld op de resonantiefrequentie van de schakeling. Vind de effectieve spanning VL over de spoel.
V = 5 V (rms)R = 15 ΩL = 10 mHC = 0,1 µF
VL = V
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een eenfasige motor neemt 14 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een voeding van 240 V. Vind de lijnstroom I.
P = 14 kWpf = 0,8V = 240 V
I = A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige belasting neemt 15 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een voeding van 230 V, 50 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,95. Vind de nieuwe lijnstroom Inew.
P = 15 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,95V = 230 Vf = 50 Hz
Inew = A
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een symmetrische, in driehoek geschakelde belasting met een impedantie van 12 + j5 Ω per fase is aangesloten op een symmetrisch draaistroomnet met een lijnspanning van 480 V. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.
VL = 480 VZ = 12 + j5 Ω per fase
P = kW
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 75 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 400 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,98 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 75 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,98VL = 400 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Over de secundaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 12:1 is een weerstand van 5 Ω aangesloten. Vind de weerstand R1′ gezien vanaf de primaire wikkeling.
N1:N2 = 12:1RL = 5 Ω
R1′ = Ω
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 100 kVA heeft een ijzerverlies van 300 W en een koperverlies van 600 W bij nominale belasting. Bij welke belasting Sη,max, in kVA, is het rendement het hoogst?
S = 100 kVAPcore = 300 WPcu,fl = 600 W
Sη,max = kVA
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 1,895 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 8 + 6 = 14 Ω
R2 ∥ 14 = 10·14/(10+14) = 5,833 Ω
Req = R1 + 5,833 = 10 + 5,833 = 15,83 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 30/15,83 = 1,895 A
Antwoord
IR1 = 1,895 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,9855 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 25 + 10 = 35 Ω
R4 ∥ 35 = 10,5 Ω
R3 + 10,5 = 25,5 Ω
R2 ∥ 25,5 = 13,78 Ω
Req = R1 + 13,78 = 3 + 13,78 = 16,78 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 36/16,78 = 2,145 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 36 − 2,145·3 = 29,57 V
IR2 = VA/R2 = 29,57/30 = 0,9855 A
Antwoord
IR2 = 0,9855 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: I3 = 0,4909 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
Neem de onderste draad als massa. Elke tak voert (VA − Vk)/Rk weg van A, waarbij Vk de spanning van de bron in die tak is (nul voor een gewone weerstand). De stromen die A verlaten zijn samen nul.
(VA − (−9))/10 + (VA − 6)/5 + (VA − 10)/15 = 0
Los VA op
VA = ((−9)/10 + 6/5 + 10/15) / (1/10 + 1/5 + 1/15) = 0,9667/0,3667 = 2,636 V
Takstroom
De pijl wijst omhoog door de tak, knooppunt A in.
I3 = (10 − VA)/R3 = (10 − 2,636)/15 = 0,4909 A
Antwoord
I3 = 0,4909 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
4.Knooppuntmethode
Antwoord: Is = 2,472 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
VA is bekend, dus deze vergelijking geeft VB.
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + (VA − VB)/R3 = 0
(5 − 10)/15 + 5/4 = (VB − 5)/20
0,9167 = (VB − 5)/20 → VB = 23,33 V
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten zijn gelijk aan de stroom die bronnen B in duwen.
Is = (VB − VA)/R3 + VB/R4 = (23,33 − 5)/20 + 23,33/15 = 2,472 A
Antwoord
Is = 2,472 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,6579 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 6·15/(6+15) = 4,286 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,286 + 4 = 8,286 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 15·15/(6+15) = 10,71 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 10,71/(8,286 + 8) = 0,6579 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,2061 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 5·3/(5+3) = 1,875 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,875 + 8 = 9,875 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 2,25 + 0,5·1,875 = 3,188 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 3,188 + 0,5·8 = 7,188 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 7,188/(9,875 + 25) = 0,2061 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vL = 4,509 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 68 mH / 47 Ω = 1,447 ms
i(∞) = Vs/R = 9/47 = 0,1915 A
Spoelspanning
Op t = 0 staat de hele voedingsspanning over de spoel; daarna neemt die af tot nul.
vL(t) = Vs·e−t/τ = 9·e−1/1,447 = 4,509 V
Antwoord
vL = 4,509 V
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 23,76 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
vC(0) = 30 V, vC(∞) = Vs = 12 V
τ = R·C = 1 kΩ · 47 µF = 47 ms
vC(t) = 12 + (30 − 12)·e−t/τ
Spanning op het gegeven tijdstip
vC(20) = 12 + (18)·e−20/47 = 23,76 V
Antwoord
vC = 23,76 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: cos φ = 0,1612
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
XL = 314,2 Ω, XC = 7,958 Ω
Impedantie
|Z| = √(50² + (306,2)²) = 310,3 Ω
Arbeidsfactor
cos φ = R/|Z| = 50/310,3 = 0,1612
De schakeling is inductief, dus de arbeidsfactor is inductief (naijlend).
Antwoord
cos φ = 0,1612
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VL = 105,4 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de reactanties elkaar op, dus de impedantie is gewoon R.
ω₀ = 1/√(LC) = 1/√(0,01·0,1·10⁻⁶) = 31623 rad/s
I = V/R = 5/15 = 0,3333 A
Spanning over de spoel
XL = ω₀L = 31623·0,01 = 316,2 Ω
VL = I·XL = 0,3333·316,2 = 105,4 V
Antwoord
VL = 105,4 V
Dit is Q = 21,08 keer de voedingsspanning.
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 72,92 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Lijnstroom
Alleen het werkelijke deel van het vermogen doet werk, dus deel door de arbeidsfactor.
I = P/(V·cos φ) = 14000/(240·0,8) = 72,92 A
Antwoord
I = 72,92 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: Inew = 68,65 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 15·tan(36,87°) = 11,25 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 15·tan(18,19°) = 4,93 kvar
QC = Q1 − Q2 = 6,32 kvar
Nieuwe lijnstroom
Inew = P/(V·cos φ2) = 15000/(230·0,95) = 68,65 A
Antwoord
Inew = 68,65 A
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: P = 49,08 kW
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Fasespanning
Vph = VL = 480 V
Fasestroom
|Z| = √(12² + 5²) = 13 Ω
Iph = 480/13 = 36,92 A
Totaal werkelijk vermogen
Alleen het resistieve deel van elke impedantie neemt werkelijk vermogen op.
P = 3·Iph²·R = 3·36,92²·12 = 49,08 kW
Antwoord
P = 49,08 kW
Controle: cos φ = R/|Z| = 0,9231, en √3·VL·IL·cos φ geeft hetzelfde vermogen.
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 226,7 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 75·tan(acos 0,8) = 75·0,75 = 56,25 kvar
Q2 = 75·tan(acos 0,98) = 75·0,2031 = 15,23 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 41,02 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
V = 400 V, ω = 2π·60 = 377 rad/s
Cph = (QC/3)/(ω·V²) = 13674/(377·400²) = 226,7 µF
Antwoord
Cph = 226,7 µF
15.Transformatoren
Antwoord: R1′ = 720 Ω
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Overgebrachte weerstand
De spanning gaat omhoog met a en de stroom omlaag met a, dus de verhouding V/I gaat omhoog met a².
R1′ = a²·RL = 12²·5 = 720 Ω
Antwoord
R1′ = 720 Ω
16.Transformatoren
Antwoord: Sη,max = 70,71 kVA
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.