De spanningsbron Vₛ tussen A en B heeft haar +-klem bij A, dus ze legt VA − VB = Vₛ vast. Gebruik de knooppuntmethode met een superknooppunt om de stroom IR1 door R1 in de richting van de pijl te vinden.
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de spanning vL over de spoel op t = 5 ms.
Vs = 15 VR = 15 ΩL = 150 mHt = 5 ms
vL = V
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 10 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Vind de condensatorspanning vC op t = 750 ms.
Vs = 12 VR = 2,2 kΩC = 220 µFvC(0) = 10 Vt = 750 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 100 Hz. Vind de fasehoek φ van de impedantie, in graden (positief als de stroom achterloopt op de spanning).
V = 24 V (rms)f = 100 HzR = 25 ΩL = 150 mHC = 10 µF
φ = °
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 120 V (rms), 500 Hz. Vind de resonantiefrequentie f0 van de schakeling.
V = 120 V (rms)f = 500 HzR = 80 ΩL = 20 mHC = 47 µF
f0 = Hz
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een inductieve belasting neemt 9 A en 1296 W op uit een eenfasige voeding van 240 V (rms). Modelleer haar als een weerstand R in serie met een reactantie X. Vind R.
V = 240 VI = 9 AP = 1296 W
R = Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige belasting neemt 2 kW op met een inductieve arbeidsfactor van 0,6 uit een voeding van 240 V, 50 Hz. Parallel aan de belasting wordt een condensator van 68 µF aangesloten. Vind de nieuwe arbeidsfactor cos φ die de voeding ziet.
P = 2 kWpf1 = 0,6V = 240 Vf = 50 HzC = 68 µF
cos φ =
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 7,5 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 88% en de arbeidsfactor 0,88 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 690 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 7,5 kWη = 88%cos φ = 0,88VL = 690 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 120 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 480 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,95 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. Vind het totale blindvermogen QC dat de condensatorbank moet leveren, in kvar.
P = 120 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,95VL = 480 Vf = 50 Hz
QC = kvar
15.TransformatorenGemiddeld
Een eenfasetransformator van 10 kVA, 6600/230 V werkt bij nominale belasting. Beschouw hem als ideaal. Vind de stroom ILV in de laagspanningswikkeling.
S = 10 kVAV1 = 6600 VV2 = 230 V
ILV = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 100 kVA heeft een ijzerverlies van 800 W en een koperverlies van 2000 W bij nominale belasting. Bij welke belasting Sη,max, in kVA, is het rendement het hoogst?
S = 100 kVAPcore = 800 WPcu,fl = 2000 W
Sη,max = kVA
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 1,602 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 3 + 8 = 11 Ω
R2 ∥ 11 = 10·11/(10+11) = 5,238 Ω
Req = R1 + 5,238 = 6 + 5,238 = 11,24 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 18/11,24 = 1,602 A
Antwoord
IR1 = 1,602 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 2,602 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 30 + 3 = 33 Ω
R4 ∥ 33 = 12,45 Ω
R3 + 12,45 = 17,45 Ω
R2 ∥ 17,45 = 5,486 Ω
Req = R1 + 5,486 = 4 + 5,486 = 9,486 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 36/9,486 = 3,795 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 36 − 3,795·4 = 20,82 V
IR2 = VA/R2 = 20,82/8 = 2,602 A
Antwoord
IR2 = 2,602 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: IR1 = 1,242 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 9 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/15 + (VA − 9)/4 + (VA − VB)/12 = 0
0,4·VA − 0,08333·VB = 2,25
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/5 + (VB − VA)/12 = (−2,5)
−0,08333·VA + 0,2833·VB = −2,5
Oplossen
Δ = (0,4)(0,2833) − (−0,08333)(−0,08333) = 0,1064
VA = Δ1/Δ = 0,4292/0,1064 = 4,034 V
VB = Δ2/Δ = −0,8125/0,1064 = −7,637 V
Antwoord
IR1 = (V1 − VA)/R1 = (9 − 4,034)/4 = 1,242 A
4.Knooppuntmethode
Antwoord: IR1 = 2,462 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Vorm een superknooppunt
De spanningsbron tussen A en B voert een onbekende stroom, dus je kunt de stroomwet niet afzonderlijk in A of B opschrijven. Neem A, B en de bron samen in één superknooppunt: de stroom die erin gaat is gelijk aan de stroom die eruit komt.
VB = VA − 15
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + VB/R3 = Is
Oplossen
(VA − 18)/2 + VA/2 + (VA − 15)/25 = 4
VA·(1/2 + 1/2 + 1/25) = 4 + 18/2 + 15/25 = 13,6
VA = 13,6/1,04 = 13,08 V
VB = −1,923 V
Stroom door R₁
IR1 = (V1 − VA)/R1 = (18 − 13,08)/2 = 2,462 A
Antwoord
IR1 = 2,462 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,4286 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 12·15/(12+15) = 6,667 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 6,667 + 3 = 9,667 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 9·15/(12+15) = 5 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 5/(9,667 + 2) = 0,4286 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 1,134 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 20·6/(20+6) = 4,615 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,615 + 15 = 19,62 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 4,154 + 1,5·4,615 = 11,08 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 11,08 + 1,5·15 = 33,58 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 33,58/(19,62 + 10) = 1,134 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vL = 9,098 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 150 mH / 15 Ω = 10 ms
i(∞) = Vs/R = 15/15 = 1 A
Spoelspanning
Op t = 0 staat de hele voedingsspanning over de spoel; daarna neemt die af tot nul.
vL(t) = Vs·e−t/τ = 15·e−5/10 = 9,098 V
Antwoord
vL = 9,098 V
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 11,58 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
vC(0) = 10 V, vC(∞) = Vs = 12 V
τ = R·C = 2,2 kΩ · 220 µF = 484 ms
vC(t) = 12 + (10 − 12)·e−t/τ
Spanning op het gegeven tijdstip
vC(750) = 12 + (−2)·e−750/484 = 11,58 V
Antwoord
vC = 11,58 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: φ = −68,94 °
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·100 = 628,3 rad/s
XL = ωL = 628,3·0,15 = 94,25 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(628,3·10·10⁻⁶) = 159,2 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de inductieve en capacitieve reactantie elkaar op: ωL = 1/(ωC). De voedingsfrequentie doet er niet toe.
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Weerstand uit het werkelijk vermogen
R = P/I² = 1296/9² = 16 Ω
Antwoord
R = 16 Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: cos φ = 0,8123
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = 2·tan(arccos 0,6) = 2,667 kvar
QC = V²·2πf·C = 240²·2π·50·68·10⁻⁶ = 1230 var = 1,23 kvar
Q2 = 2,667 − 1,23 = 1,436 kvar
Nieuw schijnbaar vermogen
S2 = √(2² + 1,436²) = 2,462 kVA
Nieuwe arbeidsfactor
cos φ = P/S2 = 2/2,462 = 0,8123
Antwoord
cos φ = 0,8123
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 8,104 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 7,5/0,88 = 8,523 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 8523/(√3·690·0,88) = 8,104 A
Antwoord
IL = 8,104 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: QC = 50,56 kvar
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 120·tan(acos 0,8) = 120·0,75 = 90 kvar
Q2 = 120·tan(acos 0,95) = 120·0,3287 = 39,44 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 50,56 kvar
Antwoord
QC = 50,56 kvar
15.Transformatoren
Antwoord: ILV = 43,48 A
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Nominale stroom
Beide wikkelingen voeren hetzelfde schijnbaar vermogen.
ILV = S/V = 10000/230 = 43,48 A
Antwoord
ILV = 43,48 A
16.Transformatoren
Antwoord: Sη,max = 63,25 kVA
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.