De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de energie W(∞) die in de spoel is opgeslagen als de schakeling tot rust is gekomen, in mJ.
Vs = 6 VR = 22 ΩL = 100 mH
W(∞) = mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 2 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Hoe lang duurt het voordat vC 5,2 V bereikt? Vind t.
Vs = 6 VR = 4,7 kΩC = 100 µFvC(0) = 2 V
t = ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 120 V (rms), 100 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 120 V (rms)f = 100 HzR = 50 ΩL = 100 mHC = 10 µF
I = A
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 10 V (rms), 200 Hz. Vind de effectieve stroom I.
V = 10 V (rms)f = 200 HzR = 25 ΩL = 250 mHC = 22 µF
I = A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een inductieve belasting neemt 19 A en 2280 W op uit een eenfasige voeding van 240 V (rms). Modelleer haar als een weerstand R in serie met een reactantie X. Vind X.
V = 240 VI = 19 AP = 2280 W
X = Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige belasting neemt 40 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,6 uit een voeding van 240 V, 60 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,92. Vind de benodigde capaciteit C.
P = 40 kWpf1 = 0,6pf2 = 0,92V = 240 Vf = 60 Hz
C = µF
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 7,5 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 91% en de arbeidsfactor 0,8 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 400 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 7,5 kWη = 91%cos φ = 0,8VL = 400 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 150 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,7 uit een net van 480 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,92 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 150 kWpf1 = 0,7pf2 = 0,92VL = 480 Vf = 50 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 20:1 staat 4800 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 5 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.
N1:N2 = 20:1V1 = 4800 VRL = 5 Ω
I1 = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 25 kVA heeft een ijzerverlies van 200 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,9 is het rendement 96%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 25 kVAPcore = 200 Wpf = 0,9η = 96%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,45 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 4 + 8 = 12 Ω
R2 ∥ 12 = 4·12/(4+12) = 3 Ω
Req = R1 + 3 = 12 + 3 = 15 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 9/15 = 0,6 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 9 − 0,6·12 = 1,8 V
IR2 = VA/R2 = 1,8/4 = 0,45 A
Antwoord
IR2 = 0,45 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,8292 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 20 + 25 = 45 Ω
R4 ∥ 45 = 11,25 Ω
R3 + 11,25 = 15,25 Ω
R2 ∥ 15,25 = 9,472 Ω
Req = R1 + 9,472 = 5 + 9,472 = 14,47 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 12/14,47 = 0,8292 A
Antwoord
IR1 = 0,8292 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: VA = −2,4 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 12 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/3 + (VA − 12)/6 + (VA − VB)/6 = 0
0,6667·VA − 0,1667·VB = 2
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R4 + (VB − VA)/R3 = Is
VB/12 + (VB − VA)/6 = (−5)
−0,1667·VA + 0,25·VB = −5
Oplossen
Δ = (0,6667)(0,25) − (−0,1667)(−0,1667) = 0,1389
VA = Δ1/Δ = −0,3333/0,1389 = −2,4 V
VB = Δ2/Δ = −3/0,1389 = −21,6 V
Antwoord
VA = −2,4 V
4.Knooppuntmethode
Antwoord: VB = 19,81 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 30 V, V2 = 6 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/30 + (VA − 30)/5 + (VA − VB)/4 = 0
0,4833·VA − 0,25·VB = 6
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R5 + (VB − VA)/R2 + (VB − V2)/R4 = Is
VB/25 + (VB − VA)/4 + (VB − 6)/15 = 1
−0,25·VA + 0,3567·VB = 1,4
Oplossen
Δ = (0,4833)(0,3567) − (−0,25)(−0,25) = 0,1099
VA = Δ1/Δ = 2,49/0,1099 = 22,66 V
VB = Δ2/Δ = 2,177/0,1099 = 19,81 V
Antwoord
VB = 19,81 V
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IN = 0,2308 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 6·4/(6+4) = 2,4 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 2,4 + 8 = 10,4 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 6·4/(6+4) = 2,4 V
Norton-equivalent
Een Norton-bron is dezelfde schakeling, gezien als een stroombron parallel aan R_th. De stroom is de kortsluitstroom tussen a–b.
IN = Vth/Rth = 2,4/10,4 = 0,2308 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 1,483 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 20·6/(20+6) = 4,615 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,615 + 30 = 34,62 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 8,308 + 1,5·4,615 = 15,23 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 15,23 + 1,5·30 = 60,23 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 60,23/(34,62 + 6) = 1,483 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: W(∞) = 3,719 mJ
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 100 mH / 22 Ω = 4,545 ms
i(∞) = Vs/R = 6/22 = 0,2727 A
Opgeslagen energie
W(∞) = ½·L·i(∞)² = ½·100·0,2727² = 3,719 mJ
Antwoord
W(∞) = 3,719 mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: t = 756,4 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
t = τ·ln((2 − 6)/(5,2 − 6)) = 470·ln(5) = 756,4 ms
Antwoord
t = 756,4 ms
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 1,106 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·100 = 628,3 rad/s
XL = ωL = 628,3·0,1 = 62,83 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(628,3·10·10⁻⁶) = 159,2 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 120/108,5 = 1,106 A
Antwoord
I = 1,106 A
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: I = 0,03583 A
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
ω = 2πf = 2π·200 = 1257 rad/s
XL = ωL = 1257·0,25 = 314,2 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(1257·22·10⁻⁶) = 36,17 Ω
Impedantie
In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).
Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.
I = V/|Z| = 10/279,1 = 0,03583 A
Antwoord
I = 0,03583 A
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: X = 10,94 Ω
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Weerstand uit het werkelijk vermogen
R = P/I² = 2280/19² = 6,316 Ω
Reactantie uit de impedantie
|Z| = V/I = 240/19 = 12,63 Ω
X = √(|Z|² − R²) = √(12,63² − 6,316²) = 10,94 Ω
Antwoord
X = 10,94 Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: C = 1671 µF
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 40·tan(53,13°) = 53,33 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 40·tan(23,07°) = 17,04 kvar
QC = Q1 − Q2 = 36,29 kvar
Capaciteit
Een condensator over de voeding levert Q = V²·ωC.
C = QC/(2πf·V²) = 36293/(2π·60·240²) = 1671 µF
Antwoord
C = 1671 µF
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 14,87 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 7,5/0,91 = 8,242 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 8242/(√3·400·0,8) = 14,87 A
Antwoord
IL = 14,87 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 410,5 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 150·tan(acos 0,7) = 150·1,02 = 153 kvar
Q2 = 150·tan(acos 0,92) = 150·0,426 = 63,9 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 89,13 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Secundaire spanning en stroom
V2 = 4800/20 = 240 V
I2 = 240/5 = 48 A
Primaire stroom
Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.
I1 = I2/20 = 2,4 A
Antwoord
I1 = 2,4 A
Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 2000 Ω, en 4800/2000 geeft dezelfde stroom.
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 737,5 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.