Bepaal de omzetter (buck, boost of buck-boost) en de duty cycle D uit de spanningsverhouding.
Gebruik de volt-secondebalans over de spoel: de gemiddelde spoelspanning over een periode is nul.
Bepaal de spoelspanning terwijl de schakelaar aan staat, daarna ΔIL = VL·D/(L·f).
Bepaal voor de uitgangsrimpel de lading die in en uit de condensator stroomt; stel voor de grens van continue geleiding de gemiddelde spoelstroom gelijk aan ΔIL/2.
Brug van Wheatstone en rekstrookjes
Deelspanningen
Va = VsR2/(R1 + R2), Vb = VsR4/(R3 + R4)
Output
Vab = Va − Vb
Balans
R1/R2 = R3/R4
Schuifdraadbrug
R/Rx = l/(100 − l)
Thévenin-weerstand
Rth = R1∥R2 + R3∥R4
K-factor
ΔR/R = GF·ε
Uitgang van de brug
kwart Vs·GF·ε/4, half Vs·GF·ε/2, vol Vs·GF·ε
Kleine verandering, één arm
Vab ≈ Vs·ΔR/(4R)
Spanning
σ = E·ε
Methode
Behandel de brug als twee spanningsdelers over dezelfde voeding.
Stel voor evenwicht R₁/R₂ = R₃/R₄ en los op voor de onbekende weerstand.
Bepaal voor een onevenwichtige brug Va en Vb uit de delers en trek ze af; gebruik het Thévenin-equivalent als een meter de uitgang belast.
Reken voor rekstrookjes de rek om naar ΔR/R = GF·ε en gebruik Vs·GF·ε/4, /2 of ×1 voor een kwart-, halve of volle brug.
Digitale logica: poorten, K-kaarten & flip-flops
Basispoorten
A·B, A + B, A′, (A·B)′, (A + B)′, A ⊕ B
Booleaanse regels
X + X′ = 1, X·X′ = 0, X + XY = X, XY + XY′ = X
De Morgan
(X·Y)′ = X′ + Y′, (X + Y)′ = X′·Y′
Volgorde van de Karnaugh-kaart
00, 01, 11, 10 (Gray code)
Groep van 2ᵏ cellen
verliest k variabelen
4-naar-1-multiplexer
F = A′B′I0 + A′BI1 + AB′I2 + ABI3
Flip-flops
D: Q⁺ = D, T: Q⁺ = T ⊕ Q, JK: Q⁺ = JQ′ + K′Q
Tellers
n-bits: 2ⁿ toestanden; mod-N: kleinste n met 2ⁿ ≥ N; fuit = fklok/N
Ripple-teller
fmax = 1/(n·tpd)
Ring- en Johnson-tellers
n en 2n toestanden
Methode
Werk bij een schakeling van de ingangen naar de uitgang, één poort tegelijk, en schrijf de waarde op elke draad, of schrijf de uitdrukking op en vul de waarheidstabel in.
Zet voor vereenvoudiging de enen (en de don’t-cares als X) in een Karnaugh-kaart met rijen en kolommen in Gray-code: 00, 01, 11, 10.
Dek de enen met zo weinig en zo grote groepen van 1, 2, 4, 8 of 16 cellen als mogelijk, met terugloop om de randen; elke groep is één productterm van de variabelen die constant blijven. Groepeer de nullen voor de POS-vorm.
Lees bij flip-flops en tellers de ingangen af op elke actieve klokflank, schrijf de toestand na elke flank op, en onthoud dat een n-bits teller na 2ⁿ toestanden terugloopt.
2Oefenopgaven
1.Diodes en transistorenGemiddeld
Een NPN-transistor met β = 100 wordt ingesteld met een basisweerstand RB = 270 kΩ vanaf de voeding VCC = 15 V. De collectorweerstand is RC = 1,2 kΩ en de emitter ligt aan massa. Neem VBE = 0,7 V en neem aan dat de transistor in het actieve gebied werkt. Vind de collector-emitterspanning VCE.
Een NPN-transistor met β = 80 schakelt een belastingsweerstand van 470 Ω, aangesloten tussen VCC = 12 V en de collector. De emitter ligt aan massa. De basis wordt aangestuurd vanuit een logische uitgang van 3,3 V via een basisweerstand RB. Neem VBE = 0,7 V en VCE(sat) = 0,2 V. Ontwerp voor betrouwbaar schakelen met een basisstroom die 10 keer zo groot is als het minimum voor verzadiging. Vind RB in kΩ.
Kies de terugkoppelweerstand Rf die deze niet-inverterende versterker een spanningsversterking van 6 geeft.
R1 = 4,7 kΩAv = 6
Rf = kΩ
4.OpampschakelingenMoeilijk
De integrator gebruikt een ideale opamp met een voeding van ±15 V; de uitgang verzadigt bij ±12 V. De condensator is ongeladen als op t = 0 een constante ingang Vin = −0,6 V wordt aangelegd. Vind de uitgangsspanning Vout op t = 50 ms.
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de energie W die op t = 20 ms in de spoel is opgeslagen, in mJ.
Vs = 20 VR = 20 ΩL = 220 mHt = 20 ms
W = mJ
6.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
De schakelaar is al lang gesloten, dus de schakeling is in de stationaire toestand. Op t = 0 gaat de schakelaar open. Vind de condensatorspanning vC op t = 250 ms.
Vs = 10 VR1 = 10 kΩR2 = 6,8 kΩC = 68 µFt = 250 ms
vC = V
7.Serie- en parallelweerstandenGemiddeld
Vind de stroom IR1 die de bron levert, en die door R1 loopt.
Een ideale buck-omzetter zet 48 V om in 19,2 V voor een belasting van 8 Ω bij 25 kHz. Bepaal de kleinste zelfinductie Lcrit voor continue geleiding.
Vin = 48 VVo = 19,2 Vf = 25 kHzR = 8 Ω
Lcrit = µH
11.Brug van Wheatstone en rekstrookjesGemiddeld
Een galvanometer met een weerstand van 50 Ω is aangesloten tussen a en b van de getoonde brug (Vs = 3 V). Bepaal de galvanometerstroom Ig van a naar b, in µA.
Een brug met armen van 350 Ω wordt bekrachtigd met 3 V en heeft vier actieve rekstrookjes, twee op trek en twee op druk (volle brug). De k-factor is 2,05 en de rek is 500 µε. Bepaal de uitgang Vo van de brug in mV.
Bepaal de minimale SOP-vorm van F(A, B, C, D) = Σm(2, 4, 6, 7, 9, 10, 12) + d(3, 8), waarbij d de don’t-care-condities aangeeft. Hoeveel literals L bevat die?
Instelpunt van een BJT: in het actieve gebied is VBE = 0,7 V, IC = β·IB en IE = (β + 1)·IB. Bepaal IB uit de basislus met de spanningswet, dan IC, en dan VCE uit de collector-emitterlus. Een spanningsdeler aan de basis wordt vervangen door zijn Thévenin-equivalent VTH = VCC·R₂/(R₁ + R₂), RTH = R₁∥R₂; een emitterweerstand telt in de basislus (β + 1) keer zo zwaar.
BJT als schakelaar: om een belasting volledig in te schakelen wordt de transistor in verzadiging gestuurd, waar VCE = VCE(sat) en de collectorstroom door de belasting wordt bepaald: IC(sat) = (VCC − VCE(sat))/RC. Voor verzadiging is minstens IB = IC(sat)/β nodig. Is de basisstroom kleiner, dan blijft de transistor actief en is IC = β·IB.
Collectorstroom in verzadiging
IC(sat) = (12 − 0,2)/470 = 25,11 mA
Minimale basisstroom
IB(min) = IC(sat)/β = 25,11/80 = 313,8 µA
Ontwerpwaarde van de basisstroom
IB = 10·313,8 µA = 3138 µA
Basisweerstand
RB = (3,3 − 0,7)/IB = 2,6 V/3,138 mA = 0,8285 kΩ
Antwoord
RB = 0,8285 kΩ
3.Opampschakelingen
Antwoord: Rf = 23,5 kΩ
Regels voor de ideale opamp: met tegenkoppeling stuurt de opamp zijn uitgang zo dat beide ingangen op dezelfde spanning staan (V₋ = V₊), en er loopt geen stroom in een van de ingangen. De stroomwet in de inverterende ingang met deze twee feiten geeft de uitgang.
Versterking van een niet-inverterende versterker
V₋ = V₊ = Vin, en de stroom door R₁ loopt ook door Rf, dus Vout = Vin·(1 + Rf/R₁).
Av = 1 + Rf/R1
Rf = (6 − 1)·4,7 = 23,5 kΩ
Antwoord
Rf = 23,5 kΩ
4.Opampschakelingen
Antwoord: Vout = 1,364 V
Regels voor de ideale opamp: met tegenkoppeling stuurt de opamp zijn uitgang zo dat beide ingangen op dezelfde spanning staan (V₋ = V₊), en er loopt geen stroom in een van de ingangen. De stroomwet in de inverterende ingang met deze twee feiten geeft de uitgang.
De ideale waarde ligt binnen ±Vsat, dus de integrator is nog niet afgekapt.
Vout = −Vin·t/(RC) = −(−0,6)·50/22 = 1,364 V
Antwoord
Vout = 1,364 V
5.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: W = 77,19 mJ
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 220 mH / 20 Ω = 11 ms
i(∞) = Vs/R = 20/20 = 1 A
Stroom op het gegeven tijdstip
i(t) = 1·(1 − e−20/11) = 0,8377 A
Opgeslagen energie
W = ½·L·i² = ½·220·0,8377² = 77,19 mJ
Antwoord
W = 77,19 mJ
6.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 2,357 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginspanning van de condensator
In de stationaire toestand is de condensator een open circuit, dus R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler. De condensatorspanning kan niet verspringen als de schakelaar opent.
vC(0) = 10·6,8/(10 + 6,8) = 4,048 V
Tijdconstante nadat de schakelaar opent
τ = R2·C = 6,8·68 = 462,4 ms
Ontlading
vC(t) = 4,048·e−250/462,4 = 2,357 V
Antwoord
vC = 2,357 V
7.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 3,082 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 5 + 2 = 7 Ω
R2 ∥ 7 = 8·7/(8+7) = 3,733 Ω
Req = R1 + 3,733 = 6 + 3,733 = 9,733 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 30/9,733 = 3,082 A
Antwoord
IR1 = 3,082 A
8.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,4359 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 10 + 5 = 15 Ω
R4 ∥ 15 = 8,571 Ω
R3 + 8,571 = 14,57 Ω
R2 ∥ 14,57 = 4,25 Ω
Req = R1 + 4,25 = 25 + 4,25 = 29,25 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 18/29,25 = 0,6154 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 18 − 0,6154·25 = 2,615 V
IR2 = VA/R2 = 2,615/6 = 0,4359 A
Antwoord
IR2 = 0,4359 A
9.DC-DC-omzetters
Antwoord: Imax = 3,273 A
DC-DC-omzetters: een schakelaar S staat gedurende de fractie D van elke periode T = 1/f aan. In de stationaire toestand is de gemiddelde spoelspanning nul (volt-secondebalans), wat de ideale omzettingsverhoudingen geeft bij continue geleiding: buck Vo = D·Vin, boost Vo = Vin/(1 − D), inverterende buck-boost |Vo| = Vin·D/(1 − D). Een ideale omzetter behoudt het vermogen: Vin·Iin = Vo·Io. Zolang S aan staat, stijgt de spoelstroom met ΔIL = VL·D·T/L, met VL = Vin − Vo voor de buck en Vin voor de boost en de buck-boost. De uitgangsrimpel is ΔVo = ΔIL/(8fC) voor de buck en Io·D/(fC) voor de boost en de buck-boost. De spoelstroom raakt net nul (de grens van continue geleiding) als de gemiddelde spoelstroom gelijk is aan ΔIL/2.
Duty cycle
D = 19,2/48 = 0,4
Gemiddelde stroom en rimpelstroom
Io = 19,2/8 = 2,4 A
ΔIL = VL·D/(L·f) = 28,8·0,4/(330·10⁻⁶·20·10³) = 1,745 A
Piekstroom
Imax = 2,4 + 1,745/2 = 3,273 A
Antwoord
Imax = 3,273 A
10.DC-DC-omzetters
Antwoord: Lcrit = 96 µH
DC-DC-omzetters: een schakelaar S staat gedurende de fractie D van elke periode T = 1/f aan. In de stationaire toestand is de gemiddelde spoelspanning nul (volt-secondebalans), wat de ideale omzettingsverhoudingen geeft bij continue geleiding: buck Vo = D·Vin, boost Vo = Vin/(1 − D), inverterende buck-boost |Vo| = Vin·D/(1 − D). Een ideale omzetter behoudt het vermogen: Vin·Iin = Vo·Io. Zolang S aan staat, stijgt de spoelstroom met ΔIL = VL·D·T/L, met VL = Vin − Vo voor de buck en Vin voor de boost en de buck-boost. De uitgangsrimpel is ΔVo = ΔIL/(8fC) voor de buck en Io·D/(fC) voor de boost en de buck-boost. De spoelstroom raakt net nul (de grens van continue geleiding) als de gemiddelde spoelstroom gelijk is aan ΔIL/2.
Duty cycle
D = 19,2/48 = 0,4
Grensvoorwaarde
Stel de gemiddelde spoelstroom gelijk aan de helft van de rimpelstroom en los op voor L.
Lcrit = (1 − D)·R/(2f)
Kritieke zelfinductie
Lcrit = (1 − 0,4)·8/(225·10³) = 96 µH
Antwoord
Lcrit = 96 µH
11.Brug van Wheatstone en rekstrookjes
Antwoord: Ig = 2813 µA
Brug van Wheatstone: twee spanningsdelers delen één voeding Vs. De linker deler R1–R2 geeft Va = Vs·R2/(R1 + R2) en de rechter deler R3–R4 geeft Vb = Vs·R4/(R3 + R4); de uitgang is Vab = Va − Vb. De brug is in evenwicht (Vab = 0, geen stroom in de meter) als R1/R2 = R3/R4, dat wil zeggen R1·R4 = R2·R3. Vanaf de uitgang gezien is de brug een Thévenin-bron met Rth = R1∥R2 + R3∥R4.
Thévenin-spanning
Vth = 3·(300/600 − 150/750) = 0,9 V
Thévenin-weerstand
Rth = R₁∥R₂ + R₃∥R₄ = 270 Ω
Galvanometerstroom
Ig = 0,9/(270 + 50) = 2813 µA
Antwoord
Ig = 2813 µA
12.Brug van Wheatstone en rekstrookjes
Antwoord: Vo = 3,075 mV
Rekstrookjes: een rekstrookje verandert zijn weerstand met de rek: ΔR/R = GF·ε, waarbij de k-factor GF ongeveer 2 is voor metaalfolie. In een brug met alle armen gelijk aan R geeft één actief rekstrookje (kwartbrug) Vo ≈ Vs·GF·ε/4. Twee actieve rekstrookjes met tegengestelde rek in naburige armen (halve brug) geven Vs·GF·ε/2, en vier (volle brug) geven Vs·GF·ε. De spanning volgt uit de wet van Hooke, σ = E·ε. Weegcellen geven hun gevoeligheid op in mV/V: de uitgang bij volle belasting per volt bekrachtiging.
Karnaugh-kaarten: de cellen staan in Gray-code (00, 01, 11, 10), dus naburige cellen, ook die over de randen heen, verschillen in precies één variabele. Groepeer de enen in rechthoeken van 1, 2, 4, 8 of 16 cellen, zo groot en zo weinig mogelijk, totdat elke 1 gedekt is. Elke groep is één productterm: de variabelen die erin constant blijven. Een groep van 2ᵏ cellen verliest k variabelen. Don’t-cares (X) mogen worden gebruikt om groepen groter te maken maar hoeven nooit gedekt te worden. Groepeer je in plaats daarvan de nullen, dan krijg je de minimale POS-vorm.
Groepeer de enen
Elke groep is een rechthoek van 2ᵏ cellen; randcellen zijn buren van de cellen op de tegenoverliggende rand.
Karnaugh-kaarten: de cellen staan in Gray-code (00, 01, 11, 10), dus naburige cellen, ook die over de randen heen, verschillen in precies één variabele. Groepeer de enen in rechthoeken van 1, 2, 4, 8 of 16 cellen, zo groot en zo weinig mogelijk, totdat elke 1 gedekt is. Elke groep is één productterm: de variabelen die erin constant blijven. Een groep van 2ᵏ cellen verliest k variabelen. Don’t-cares (X) mogen worden gebruikt om groepen groter te maken maar hoeven nooit gedekt te worden. Groepeer je in plaats daarvan de nullen, dan krijg je de minimale POS-vorm.
Priemimplicanten
De grootste groepen die uit enen en X’en gevormd kunnen worden.
B′CD′, BC′D′, A′C, AC′D′, A′BD′, AB′D′, AB′C′
Minimale dekking
F = B′CD′ + BC′D′ + A′C + AB′C′
L = 11
Antwoord
L = 11
Er bestaat een andere groepering van dezelfde grootte; die heeft hetzelfde aantal termen en literals.