Oefenen voor het FE Chemical-examen: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 24 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Massabalans

Stationaire toestand
in = uit
Totaalbalans
ṁ1 + ṁ2 = ṁ3
Componentenbalans
ṁ1x1 + ṁ2x2 = ṁ3x3
Verdamper
F·xF = P·xP, W = F − P

Energiebalans

Voelbare warmte
Q = ṁ·cp·ΔT
Latente warmte
Q = ṁ·hfg
Mengen
ΣṁcpTin = ΣṁcpTout
Water
cp ≈ 4,18 kJ/(kg·K)

Ideale gaswet

Ideale gaswet
pV = nRT
Gasconstante
R = 8,314 J/(mol·K)
Algemene gaswet
p1V1/T1 = p2V2/T2
Mol
n = m/M
Temperatuur
T[K] = T[°C] + 273,15

Stoichiometrie

Mol
n = m/M
Concentratie
c = n/V
Molverhouding
gebruik de coëfficiënten van de kloppende reactievergelijking
Beperkende reactant
degene die het eerst op is
Rendement
werkelijk / theoretisch × 100%

Methode

  1. Schrijf de reactievergelijking op en maak hem kloppend.
  2. Reken de gegeven massa om naar mol: n = m/M.
  3. Gebruik de coëfficiënten als molverhouding om de mol van de gezochte stof te vinden.
  4. Reken terug naar massa met m = n·M. Bepaal bij twee reactanten eerst de beperkende reactant.

Chemisch evenwicht

Evenwichtsconstante
Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b)
ICE-tabel
Begin, Verandering (×coëfficiënt), Evenwicht
Vierkantsvergelijking
x = (−b + √(b² − 4ac))/(2a)

Methode

  1. Schrijf Kc als producten gedeeld door reactanten, elk tot de macht van zijn coëfficiënt.
  2. Maak een BOE-tabel (ICE): Begin, Omzetting (in stappen van x maal de coëfficiënten), Evenwicht.
  3. Vul de evenwichtsuitdrukkingen in Kc in en los op naar x.
  4. Controleer of x klein genoeg is voor een benadering; los anders de vierkantsvergelijking op.

Calorimetrie en enthalpie

Warmte
q = m·c·ΔT
Water
c = 4,18 J/(g·°C)
Calorimeter
afgestane warmte = opgenomen warmte
Reactie-enthalpie
ΔH° = ΣΔH°f(products) − ΣΔH°f(reactants)

Reactiekinetiek

Eerste orde
ln(CA/CA0) = −kt
Halveringstijd (eerste orde)
t½ = ln 2/k
Tweede orde
1/CA = 1/CA0 + kt
Arrhenius
k = A·e−Ea/(RT)
Twee temperaturen
ln(k2/k1) = (Ea/R)(1/T1 − 1/T2)

Reactordimensionering (CSTR en PFR)

Verblijftijd
τ = V/Q
CSTR, eerste orde
τ = X/(k·(1 − X)), CA = CA0/(1 + kτ)
PFR, eerste orde
τ = ln(1/(1 − X))/k, CA = CA0·e−kτ
Conversie uit het volume
CSTR: X = kτ/(1 + kτ), PFR: X = 1 − e−kτ
N gelijke CSTR’s in serie
X = 1 − 1/(1 + kτi)N

Warmtewisselaars (LMTD)

Warmtevermogen
Q = U·A·ΔTlm
Logaritmisch gemiddeld temperatuurverschil
ΔTlm = (ΔT1 − ΔT2)/ln(ΔT1/ΔT2)
Balans van een stroom
Q = ṁcp(Tin − Tout)

Warmtegeleiding

Wet van Fourier
Q̇ = kAΔT/L
Geleidingsweerstand
R = L/(kA)
Convectieweerstand
R = 1/(hA)
Weerstanden in serie
Q̇ = ΔTtotal/ΣR
U-waarde
U = 1/(ΣR·A)

Leidingwrijving en drukhoogteverlies

Getal van Reynolds
Re = V·D/ν = ρ·V·D/μ
Stromingsregime
laminair onder Re ≈ 2000, turbulent boven Re ≈ 4000
Gemiddelde snelheid
V = Q/A, A = π·D²/4
Darcy–Weisbach
hf = f·(L/D)·V²/(2g)
Plaatselijke verliezen
hm = ΣK·V²/(2g)
Gangbare K-waarden
intrede 0,5, uittrede 1,0, bocht van 90° ≈ 0,3
Drukval
Δp = ρ·g·hf
Twee open reservoirs
Δz = (f·L/D + ΣK)·V²/(2g)
Vrije uitstroming
H = (1 + f·L/D + ΣK)·V²/(2g)

Pompen en pompvermogen

Hydraulisch vermogen
Ph = ρ·g·Q·H = Q·Δp
Asvermogen
Pshaft = Ph/ηpump
Elektrisch vermogen
Pel = Pshaft/ηmotor
Opvoerhoogte van de pomp
H = Δz + Δp/(ρ·g) + hL
Systeemverliezen
hL = (f·L/D + ΣK)·V²/(2g)

2Oefenopgaven

1.MassabalansGemiddeld
MengerStroom 1200 kg/h · 10% suikerStroom 2ṁ₂ = ? · 40% suikerProduct30% suiker

Hoeveel van stroom 2 moet er per uur aan stroom 1 worden toegevoegd zodat het mengsel 30% suiker bevat? Vind ṁ2.

ṁ1 = 200 kg/hx1 = 10 %x2 = 40 %x3 = 30 %
ṁ2 = kg/h
2.MassabalansMoeilijk
VerdamperVoeding F3400 kg/h · 5% zoutProduct P55% zoutDamp W (zuiver water)W = ? kg/h

Een verdamper concentreert een zoutoplossing door zuiver water te verdampen. Vind het verdampte water W in kg/h.

F = 3400 kg/hxF = 5 %xP = 55 %
W = kg/h
3.EnergiebalansGemiddeld
warme kantkoude kantethanol · 150 °C100 °Cwater · 25 °Ct = ? °C

Warme ethanol koelt water in een tegenstroomwarmtewisselaar zonder warmteverlies. Vind de uittredetemperatuur van het water tout.

ṁh = 0,5 kg/scp,h = 2,44 kJ/(kg·K)Th: 150 → 100 °Cṁc = 0,5 kg/scp,c = 4,18 kJ/(kg·K)tin = 25 °C
tout = °C
4.EnergiebalansMoeilijk
warme kantkoude kantethanol · 180 °C130 °Cwater · 25 °C75 °C · ṁ = ?15% verlies

Warme ethanol verwarmt water in een warmtewisselaar die 15% van de door de warme stroom afgegeven warmte aan de omgeving verliest. Vind het benodigde waterdebiet ṁc.

ṁh = 0,5 kg/scp,h = 2,44 kJ/(kg·K)Th: 180 → 130 °Ct: 25 → 75 °Ccp,c = 4,18 kJ/(kg·K)verlies = 15 %
ṁc = kg/s
5.Ideale gaswetGemiddeld
230 g ArV = 50 LT = 5 °CP = ?

Een tank van 50 L bevat 230 g Ar bij 5 °C. Behandel het als een ideaal gas en vind de druk P.

m = 230 gM = 39,95 g/molV = 50 LT = 5 °CR = 8,314 J/(mol·K)
P = kPa
6.Ideale gaswetMoeilijk
Toestand 1Toestand 2

Een vaste hoeveelheid N₂ gaat van 150 kPa, 2 L, 35 °C naar 700 kPa en 80 °C. Vind het nieuwe volume V2.

P1 = 150 kPaV1 = 2 LT1 = 35 °CP2 = 700 kPaT2 = 80 °C
V2 = L
7.StoichiometrieGemiddeld
m(X)n(X)n(CO2​)m(CO2​)÷ M(X)× 1/ν× M(CO2​)

4 g CH4 en 80 g O2 reageren volgens CH4 + 2O2 → CO2 + 2H2O. Hoeveel massa m CO2 kan er ontstaan?

M(CH4) = 16,04M(O2) = 32M(CO2) = 44,01 g/mol
m = g
8.StoichiometrieMoeilijk
m(N2​)n(N2​)n(NH3​)m(NH3​)÷ M(N2​)× 2/1× M(NH3​)

Bij de reactie N2 + 3H2 → 2NH3 reageert 4 g N2 volledig (de andere beginstoffen in overmaat) en wordt 3,01 g NH3 opgevangen. Bereken het rendement Y.

M(N2) = 28,02 g/molM(NH3) = 17,03 g/molwerkelijk: 3,01 g
Y = %
9.Chemisch evenwichtGemiddeld
H2​I2​HII0,20,20C−x−x+2xE0,2 − x0,2 − x2x

0,2 mol/L H₂ en 0,2 mol/L I₂ worden in een vat gebracht en reageren: H₂ + I₂ ⇌ 2HI, met Kc = 50. Bereken de evenwichtsconcentratie [HI].

[H₂]₀ = [I₂]₀ = 0,2 mol/LKc = 50
[HI] = mol/L
10.Chemisch evenwichtMoeilijk
PCl5​PCl3​Cl2​I0,2500C−x+x+xE0,25 − xxx

PCl₅ ontleedt: PCl₅ ⇌ PCl₃ + Cl₂, met Kc = 0,05 bij de reactietemperatuur. Een vat bevat aan het begin alleen 0,25 mol/L PCl₅. Bereken de evenwichtsconcentratie [Cl2].

[PCl₅]₀ = 0,25 mol/LKc = 0,05
[Cl2] = mol/L
11.Calorimetrie en enthalpieGemiddeld
Tf​ = ?Zinkm = 200 gT = 90 °Cc = 0,388 J/(g·°C)Waterm = 400 gT = 16 °Cc = 4,18 J/(g·°C)

Een blok zink van 200 g (c = 0,388 J/(g·°C)) met een temperatuur van 90 °C wordt in een geïsoleerde beker met 400 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) van 16 °C gelegd. Bereken de eindtemperatuur Tf.

mmetal = 200 gcmetal = 0,388 J/(g·°C)Tmetal = 90 °Cmwater = 400 gTwater = 16 °Ccwater = 4,18 J/(g·°C)
Tf = °C
12.Calorimetrie en enthalpieMoeilijk
H2C4​H10​ + 13O₂beginstoffen8CO₂ + 10H₂O(l)productenΔH° = ?

Gebruik de standaardvormingsenthalpieën om ΔH° te berekenen voor de reactie 2C4H10 + 13O₂ → 8CO₂ + 10H₂O(l).

ΔH°f(C4H10) = −125,6 kJ/molΔH°f(CO₂) = −393,5 kJ/molΔH°f(H₂O, l) = −285,8 kJ/molΔH°f(O₂) = 0
ΔH° = kJ
13.ReactiekinetiekGemiddeld
t (min)C (mol/L)40 min0,525

In een eerste-orde reactie daalt de concentratie van A van 1,5 mol/L naar 0,525 mol/L in 40 min. Vind de snelheidsconstante k.

CA0 = 1,5 mol/LCA = 0,525 mol/Lt = 40 min
k = min⁻¹
14.ReactiekinetiekMoeilijk
Tk30 °C0,170 °C?

Een reactie heeft een snelheidsconstante van 0,1 min⁻¹ bij 30 °C en een activeringsenergie van 100 kJ/mol. Vind de snelheidsconstante k2 bij 70 °C.

k1 = 0,1 min⁻¹T1 = 30 °CT2 = 70 °CEa = 100 kJ/molR = 8,314 J/(mol·K)
k2 = min⁻¹
15.Reactordimensionering (CSTR en PFR)Gemiddeld
Q = 50 L/minCA0​ = 0,5 mol/LCA​ = ?V = 200 L, k = 0,4 min⁻¹

Een eerste-orde vloeistoffasereactie A → B (k = 0,4 min⁻¹) verloopt in een propstroomreactor (PFR) van 200 L. De voeding komt binnen met 50 L/min en CA0 = 0,5 mol/L. De dichtheid is constant en de reactor is in stationaire toestand. Vind de uitlaatconcentratie CA.

V = 200 LQ = 50 L/mink = 0,4 min⁻¹CA0 = 0,5 mol/L
CA = mol/L
16.Reactordimensionering (CSTR en PFR)Moeilijk
V = 250 LQ = 40 L/minX = ?

Een eerste-orde vloeistoffasereactie (k = 0,15 min⁻¹) verloopt in een CSTR van 250 L met een voeding van 40 L/min. De dichtheid is constant en de reactor is in stationaire toestand. Vind de conversie X in procent.

V = 250 LQ = 40 L/mink = 0,15 min⁻¹
X = %
17.Warmtewisselaars (LMTD)Gemiddeld
lengteT145 °C125 °C20 °C55 °CΔT₁ΔT₂meestroom

Een meestroomwarmtewisselaar draagt 470 kW over. Het warmtewisselend oppervlak is 3 m². De warme vloeistof koelt af van 145 tot 125 °C en de koude vloeistof warmt op van 20 tot 55 °C. Vind de warmtedoorgangscoëfficiënt U.

Q̇ = 470 kWA = 3 m²Th: 145 → 125 °CTc: 20 → 55 °C
U = W/(m²·K)
18.Warmtewisselaars (LMTD)Moeilijk
lengteT180 °C40 °C53,52 °C15 °CΔT₁ΔT₂tegenstroom

Warme olie (1 kg/s, cp = 2,3 kJ/(kg·K)) koelt af van 180 tot 40 °C in een tegenstroomwarmtewisselaar. Ze verwarmt 2 kg/s water (cp = 4,18 kJ/(kg·K)) dat binnenkomt op 15 °C. Met U = 500 W/(m²·K), vind het benodigde warmtewisselend oppervlak A.

ṁh = 1 kg/scp,h = 2,3 kJ/(kg·K)Th: 180 → 40 °Cṁc = 2 kg/scp,c = 4,18 kJ/(kg·K)Tc,in = 15 °CU = 500 W/(m²·K)
A = m²
19.WarmtegeleidingGemiddeld
Beton, k = 1,4150 mmMinerale wol, k = 0,04100 mm19 °C-3 °CQ̇ = ?

Een wand bestaat uit 150 mm beton en 100 mm minerale wol, met een oppervlak van 8 m². De buitenzijden zijn 19 °C en -3 °C. Vind de warmtestroom Q̇ door de wand.

L1 = 150 mm, k1 = 1,4 W/(m·K)L2 = 100 mm, k2 = 0,04 W/(m·K)A = 8 m²T1 = 19 °CT3 = -3 °C
Q̇ = W
20.WarmtegeleidingMoeilijk
Gipsplaat, k = 0,17150 mmHout, k = 0,1750 mmkamer 22 °Cbuiten 4 °CTs​ = ?Q̇

Een wand van 150 mm gipsplaat en 50 mm hout scheidt een kamer van 22 °C van de buitenlucht van 4 °C. De warmteoverdrachtscoëfficiënten zijn 10 W/(m²·K) binnen en 30 W/(m²·K) buiten, en het wandoppervlak is 10 m². Vind de temperatuur Ts van het binnenoppervlak van de wand.

L1 = 150 mm, k1 = 0,17 W/(m·K)L2 = 50 mm, k2 = 0,17 W/(m·K)A = 10 m²hi = 10 W/(m²·K)ho = 30 W/(m²·K)Troom = 22 °CTout = 4 °C
Ts = °C
21.Leidingwrijving en drukhoogteverliesGemiddeld
V = 2,8 m/sD = 75 mmL = 400 mf = 0,025

Water stroomt met een gemiddelde snelheid van 2,8 m/s door een leiding van 400 m lang met een binnendiameter van 75 mm. Gebruik de Darcy-wrijvingsfactor f = 0,025 en g = 9,81 m/s². Vind het wrijvingsverlies hf.

V = 2,8 m/sL = 400 mD = 75 mmf = 0,025g = 9,81 m/s²
hf = m
22.Leidingwrijving en drukhoogteverliesMoeilijk
K = 2Δz = ?L = 100 m, D = 300 mm, f = 0,022× bocht (K = 0,3)

Twee open reservoirs zijn verbonden door een leiding van 100 m lang met een binnendiameter van 300 mm en een Darcy-wrijvingsfactor f = 0,02. De plaatselijke verliezen zijn een scherpe intrede (K = 0,5), 2 bochten (K = 0,3 per stuk), een afsluiter (K = 2) en de uittrede in het lagere reservoir (K = 1,0). Gebruik g = 9,81 m/s². Welk niveauverschil Δz tussen de reservoirs geeft een debiet van 100 L/s?

Q = 100 L/sL = 100 mD = 300 mmf = 0,02Kentrance = 0,5Kbend = 0,3 (×2)Kvalve = 2Kexit = 1,0
Δz = m
23.Pompen en pompvermogenGemiddeld
PQ = 60 L/sH = 36 m

Bij een test levert een pomp 60 L/s water (ρ = 1000 kg/m³) tegen een opvoerhoogte van 36 m, terwijl de as 30,3 kW opneemt. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind het pomprendement η in procent.

Q = 60 L/sH = 36 mPshaft = 30,3 kWg = 9,81 m/s²
η = %
24.Pompen en pompvermogenMoeilijk
PQ = 40 L/sΔz = 10 mL = 400 m, D = 150 mm, f = 0,022, ΣK = 6

Een pomp verplaatst 40 L/s water (ρ = 1000 kg/m³) van een open lager reservoir naar een hoger gelegen tank waarvan het wateroppervlak 10 m hoger ligt. De leiding is 400 m lang met een binnendiameter van 150 mm en een Darcy-wrijvingsfactor f = 0,022; de coëfficiënten voor plaatselijke verliezen tellen op tot ΣK = 6 (intrede en uittrede inbegrepen). Gebruik g = 9,81 m/s². Het pomprendement is 78%. Vind het asvermogen Pshaft in kW.

Q = 40 L/sΔz = 10 mL = 400 mD = 150 mmf = 0,022ΣK = 6η = 78%
Pshaft = kW

3Oplossingen

1.Massabalans

Antwoord: ṁ2 = 400 kg/h

Stationaire massabalans: in = uit voor het totaal en voor elke component. Mengproblemen combineren beide.

Balansen

Total: ṁ3 = ṁ1 + ṁ2
suiker: ṁ1x1 + ṁ2x2 = (ṁ1 + ṁ2)x3

Los op naar ṁ2

ṁ2 = ṁ1(x1 − x3)/(x3 − x2) = 200·(10 − 30)/(30 − 40) = 400 kg/h

Antwoord

ṁ2 = 400 kg/h
2.Massabalans

Antwoord: W = 3091 kg/h

Sleutelcomponent: een component die onveranderd in één stroom meegaat (hier de opgeloste stof) koppelt de debieten direct. De totaalbalans geeft dan de rest.

Balans van de opgeloste stof

F·xF = P·xP → P = 3400·5/55 = 309,1 kg/h

Totaalbalans

W = F − P = 3400 − 309,1 = 3091 kg/h

Antwoord

W = 3091 kg/h
3.Energiebalans

Antwoord: tout = 54,19 °C

Energiebalans van de warmtewisselaar: zonder verliezen geldt ṁhcp,h(Th,in − Th,out) = ṁccp,c(tout − tin).

Warmte afgegeven door de warme stroom

Q = 0,5·2,44·(150 − 100) = 61 kW

Warmte opgenomen door het water

tout = tin + Q/(ṁccp,c) = 25 + 61/(0,5·4,18) = 54,19 °C

Antwoord

tout = 54,19 °C
4.Energiebalans

Antwoord: ṁc = 0,2481 kg/s

Energiebalans met verliezen: afgegeven warmte = opgenomen warmte + verloren warmte.

Afgegeven warmte

Qh = 0,5·2,44·(180 − 130) = 61 kW

Warmte die het water bereikt

Qc = (1 − 0,15)·61 = 51,85 kW

Waterdebiet

ṁc = Qc/(cp,c·Δt) = 51,85/(4,18·50) = 0,2481 kg/s

Antwoord

ṁc = 0,2481 kg/s
5.Ideale gaswet

Antwoord: P = 266,3 kPa

Ideale gaswet: PV = nRT, met n = m/M.

Mol

n = m/M = 230/39,95 = 5,757 mol
T = 5 + 273,15 = 278,1 K

Druk

P = nRT/V = 5,757·8,314·278,1/0,05 = 266,3 kPa

Antwoord

P = 266,3 kPa
6.Ideale gaswet

Antwoord: V2 = 0,4912 L

Algemene gaswet: voor een vaste hoeveelheid ideaal gas geldt P1V1/T1 = P2V2/T2.

Absolute temperaturen

T1 = 308,1 K, T2 = 353,1 K

Algemene gaswet

V2 = V1·(P1/P2)·(T2/T1) = 2·(150/700)·(353,1/308,1) = 0,4912 L

Antwoord

V2 = 0,4912 L
7.Stoichiometrie

Antwoord: m = 10,98 g

Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.

Mol van elke beginstof

n(CH4) = 4/16,04 = 0,2494 mol
n(O2) = 80/32 = 2,5 mol

Beperkende reactant

0,2494/1 = 0,2494, 2,5/2 = 1,25 → CH4

Massa product

n(CO2) = 0,2494·1 = 0,2494 mol
m = 0,2494·44,01 = 10,98 g

Antwoord

m = 10,98 g
8.Stoichiometrie

Antwoord: Y = 61,91 %

Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.

Theoretische opbrengst

n(N2) = 4/28,02 = 0,1428 mol
m = 0,1428·2/1·17,03 = 4,862 g

Rendement

Y = 3,01/4,862·100 = 61,91%

Antwoord

Y = 61,91%
9.Chemisch evenwicht

Antwoord: [HI] = 0,3118 mol/L

Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.

Evenwichtsvoorwaarde

50 = (2x)²/(0,2 − x)²

Neem de wortel

7,071 = 2x/(0,2 − x) → x = 0,2·7,071/(2 + 7,071) = 0,1559 mol/L

Evenwichtsconcentratie

[HI] = 2x = 0,3118 mol/L

Antwoord

[HI] = 0,3118 mol/L
10.Chemisch evenwicht

Antwoord: [Cl2] = 0,08956 mol/L

Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.

Evenwichtsvoorwaarde

0,05 = x²/(0,25 − x) → x² + 0,05·x − 0,0125 = 0

Los de vierkantsvergelijking op

x = (−0,05 + √(0,05² + 4·0,0125))/2 = 0,08956 mol/L

Evenwichtsconcentratie

[Cl₂] = x = 0,08956 mol/L

Antwoord

[Cl2] = 0,08956 mol/L
11.Calorimetrie en enthalpie

Antwoord: Tf = 19,28 °C

Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.

Warmtebalans

200·0,388·(90 − Tf) = 400·4,18·(Tf − 16)

Los de eindtemperatuur op

Tf = (77,6·90 + 1672·16)/(77,6 + 1672) = 19,28 °C

Antwoord

Tf = 19,28 °C
12.Calorimetrie en enthalpie

Antwoord: ΔH° = −5755 kJ

Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.

Reactie-enthalpie

ΔH° = [8·(−393,5) + 10·(−285,8)] − [2·(−125,6) + 13·0] = −5755 kJ

Antwoord

ΔH° = −5755 kJ

Negatief: de reactie staat warmte af (exotherm).

13.Reactiekinetiek

Antwoord: k = 0,02625 min⁻¹

Integrated rate laws: zero order: C = C₀ − kt (straight line, t½ = C₀/(2k)); first order: ln(C₀/C) = kt (t½ = ln 2/k); second order: 1/C − 1/C₀ = kt (t½ = 1/(kC₀)). Conversion X means C = C₀(1 − X).

Geïntegreerde eerste-orde wet

k = ln(CA0/CA)/t = ln(1,5/0,525)/40 = 1,05/40 = 0,02625 min⁻¹

Antwoord

k = 0,02625 min⁻¹
14.Reactiekinetiek

Antwoord: k2 = 10,2 min⁻¹

Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).

Absolute temperaturen

T1 = 303,1 K, T2 = 343,1 K

Arrhenius-verhouding

ln(k2/k1) = −(100000/8,314)·(1/343,1 − 1/303,1) = 4,625
k2 = 0,1·e4,625 = 10,2 min⁻¹

Antwoord

k2 = 10,2 min⁻¹
15.Reactordimensionering (CSTR en PFR)

Antwoord: CA = 0,1009 mol/L

Ideale reactoren, eerste-orde reactie (−rA = k·CA) in stationaire toestand, met verblijftijd τ = V/Q. Een CSTR is ideaal gemengd, dus het hele volume reageert bij de lage uitlaatconcentratie: τ = X/(k·(1 − X)) en CA = CA0/(1 + k·τ). In een PFR reageert elk plakje vloeistof als een kleine batchreactor: τ = ln(1/(1 − X))/k en CA = CA0·e−k·τ. Voor dezelfde conversie heeft een CSTR altijd meer volume nodig dan een PFR.

Verblijftijd

τ = V/Q = 200/50 = 4 min

Uitlaatconcentratie

CA = 0,5·e−0,4·4 = 0,1009 mol/L

Antwoord

CA = 0,1009 mol/L

Conversie: X = 79,81%.

16.Reactordimensionering (CSTR en PFR)

Antwoord: X = 48,39 %

Ideale reactoren, eerste-orde reactie (−rA = k·CA) in stationaire toestand, met verblijftijd τ = V/Q. Een CSTR is ideaal gemengd, dus het hele volume reageert bij de lage uitlaatconcentratie: τ = X/(k·(1 − X)) en CA = CA0/(1 + k·τ). In een PFR reageert elk plakje vloeistof als een kleine batchreactor: τ = ln(1/(1 − X))/k en CA = CA0·e−k·τ. Voor dezelfde conversie heeft een CSTR altijd meer volume nodig dan een PFR.

Verblijftijd

τ = V/Q = 250/40 = 6,25 min, kτ = 0,15·6,25 = 0,9375

Conversie

X = kτ/(1 + kτ) = 0,9375/(1 + 0,9375) = 48,39%

Antwoord

X = 48,39%
17.Warmtewisselaars (LMTD)

Antwoord: U = 1652 W/(m²·K)

LMTD method: the temperature difference between the streams changes along the exchanger, so the rate equation uses its logarithmic mean: Q̇ = U·A·ΔTlm, with ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂), where ΔT₁ and ΔT₂ are the differences at the two ends. Counter-flow gives a larger ΔTlm than parallel flow for the same inlet and outlet temperatures.

Temperatuurverschillen aan de uiteinden

Bij meestroom liggen beide ingangen aan hetzelfde uiteinde, en beide uitgangen aan het andere.

ΔT₁ = Th,in − Tc,in = 145 − 20 = 125 K
ΔT₂ = Th,out − Tc,out = 125 − 55 = 70 K

Logaritmisch gemiddeld temperatuurverschil

ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂) = (125 − 70)/ln(125/70) = 94,86 K

Warmtedoorgangscoëfficiënt

U = Q̇/(A·ΔTlm) = 470000/(3·94,86) = 1652 W/(m²·K)

Antwoord

U = 1652 W/(m²·K)
18.Warmtewisselaars (LMTD)

Antwoord: A = 10,29 m²

LMTD-methode: het temperatuurverschil tussen de stromen verandert langs de warmtewisselaar, dus de overdrachtsvergelijking gebruikt het logaritmisch gemiddelde: Q̇ = U·A·ΔTlm, met ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂), waarbij ΔT₁ en ΔT₂ de verschillen aan beide uiteinden zijn. Tegenstroom geeft een grotere ΔTlm dan meestroom bij dezelfde in- en uittredetemperaturen.

Warmtevermogen en uittredetemperatuur van het water

Q̇ = ṁhcp,h(Th,in − Th,out) = 1·2,3·140 = 322 kW
Tc,out = 15 + 322/(2·4,18) = 53,52 °C

Temperatuurverschillen aan de uiteinden

Bij tegenstroom ligt de warme ingang tegenover de koude uitgang, en de warme uitgang tegenover de koude ingang.

ΔT₁ = Th,in − Tc,out = 180 − 53,52 = 126,5 K
ΔT₂ = Th,out − Tc,in = 40 − 15 = 25 K

Logaritmisch gemiddeld temperatuurverschil

ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂) = (126,5 − 25)/ln(126,5/25) = 62,6 K

Oppervlak

A = Q̇/(U·ΔTlm) = 322000/(500·62,6) = 10,29 m²

Antwoord

A = 10,29 m²
19.Warmtegeleiding

Antwoord: Q̇ = 67,51 W

Warmteweerstand: stationaire warmtestroom door lagen in serie gedraagt zich als stroom door weerstanden in serie: Q̇ = ΔT/ΣR, met R = L/(kA) voor een geleidende laag en R = 1/(hA) voor een oppervlak met convectie. Het temperatuurverschil over elke laag is evenredig met haar weerstand.

Weerstanden van de lagen

R1 = L1/(k1A) = (150/1000)/(1,4·8) = 0,01339 K/W
R2 = L2/(k2A) = (100/1000)/(0,04·8) = 0,3125 K/W

Warmtestroom

Q̇ = (T1 − T3)/(R1 + R2) = 22/0,3259 = 67,51 W

Antwoord

Q̇ = 67,51 W
20.Warmtegeleiding

Antwoord: Ts = 20,63 °C

Warmteweerstand: stationaire warmtestroom door lagen in serie gedraagt zich als stroom door weerstanden in serie: Q̇ = ΔT/ΣR, met R = L/(kA) voor een geleidende laag en R = 1/(hA) voor een oppervlak met convectie. Het temperatuurverschil over elke laag is evenredig met haar weerstand.

Weerstanden in serie

Ri = 1/(hiA) = 1/(10·10) = 0,01 K/W
R1 = L1/(k1A) = (150/1000)/(0,17·10) = 0,08824 K/W
R2 = L2/(k2A) = (50/1000)/(0,17·10) = 0,02941 K/W
Ro = 1/(hoA) = 1/(30·10) = 0,003333 K/W
ΣR = 0,131 K/W

Warmteverlies

Q̇ = (22 − (4))/0,131 = 137,4 W
Ts = Troom − Q̇·Ri = 22 − 137,4·0,01 = 20,63 °C

Antwoord

Ts = 20,63 °C
21.Leidingwrijving en drukhoogteverlies

Antwoord: hf = 53,28 m

Leidingstroming: het getal van Reynolds Re = V·D/ν = ρ·V·D/μ onderscheidt laminaire stroming (Re onder ongeveer 2000) van turbulente stroming (boven ongeveer 4000). Wrijving langs een leiding kost het drukhoogteverlies volgens Darcy–Weisbach hf = f·(L/D)·V²/(2g). Hulpstukken, afsluiters, de intrede en de uittrede geven plaatselijke verliezen hm = ΣK·V²/(2g). Tussen twee open reservoiroppervlakken geeft de energievergelijking Δz = hf + hm, inclusief het uittredeverlies K = 1.

Snelheidshoogte

V²/(2g) = 2,8²/(2·9,81) = 0,3996 m

Darcy–Weisbach

hf = f·(L/D)·V²/(2g) = 0,025·(400/0,075)·2,8²/(2·9,81) = 53,28 m

Antwoord

hf = 53,28 m
22.Leidingwrijving en drukhoogteverlies

Antwoord: Δz = 1,098 m

Leidingstroming: het getal van Reynolds Re = V·D/ν = ρ·V·D/μ onderscheidt laminaire stroming (Re onder ongeveer 2000) van turbulente stroming (boven ongeveer 4000). Wrijving langs een leiding kost het drukhoogteverlies volgens Darcy–Weisbach hf = f·(L/D)·V²/(2g). Hulpstukken, afsluiters, de intrede en de uittrede geven plaatselijke verliezen hm = ΣK·V²/(2g). Tussen twee open reservoiroppervlakken geeft de energievergelijking Δz = hf + hm, inclusief het uittredeverlies K = 1.

Snelheid

V = Q/A = 0,1/0,07069 = 1,415 m/s
V²/(2g) = 0,102 m

Verliescoëfficiënten

f·L/D = 0,02·100/0,3 = 6,667
ΣK = 0,5 + 2·0,3 + 2 + 1,0 = 4,1

Totaal drukhoogteverlies

hf = 6,667·0,102 = 0,6801 m
hm = 4,1·0,102 = 0,4182 m
Δz = hf + hm = 1,098 m

Antwoord

Δz = 1,098 m
23.Pompen en pompvermogen

Antwoord: η = 69,93 %

Pompvermogen: het vermogen dat aan het water wordt gegeven is het hydraulisch vermogen Ph = ρ·g·Q·H = Q·Δp. De as moet meer leveren omdat de pomp verliezen heeft: Pshaft = Ph/ηpump, en de motor neemt Pel = Pshaft/ηmotor op. De opvoerhoogte H volgt uit de energievergelijking: statische opvoerhoogte + drukhoogte + alle wrijvings- en plaatselijke verliezen.

Hydraulisch vermogen

Ph = ρ·g·Q·H = 1000·9,81·0,06·36 = 21,19 kW

Rendement

η = Ph/Pshaft = 21,19/30,3 = 69,93%

Antwoord

η = 69,93%
24.Pompen en pompvermogen

Antwoord: Pshaft = 13,53 kW

Pompvermogen: het vermogen dat aan het water wordt gegeven is het hydraulisch vermogen Ph = ρ·g·Q·H = Q·Δp. De as moet meer leveren omdat de pomp verliezen heeft: Pshaft = Ph/ηpump, en de motor neemt Pel = Pshaft/ηmotor op. De opvoerhoogte H volgt uit de energievergelijking: statische opvoerhoogte + drukhoogte + alle wrijvings- en plaatselijke verliezen.

Snelheid

V = Q/A = 0,04/0,01767 = 2,264 m/s
V²/(2g) = 0,2611 m

Drukhoogteverliezen

hL = (f·L/D + ΣK)·V²/(2g) = (58,67 + 6)·0,2611 = 16,89 m

Opvoerhoogte van de pomp

H = Δz + hL = 10 + 16,89 = 26,89 m

Asvermogen

Pshaft = ρ·g·Q·H/η = 1000·9,81·0,04·26,89/0,78 = 13,53 kW

Antwoord

Pshaft = 13,53 kW

ExamProblems · examproblems.com/courses/fe-exam-chemical