Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD1200€2,001800€1,50

Als de prijs van een kaartje verandert van €2,00 naar €1,50, verandert de weekafzet van 1200 naar 1800. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €2,00P2 = €1,50Q1 = 1200Q2 = 1800
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€32

De vraag naar een product is Q = 160 − 2P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €32.

Q = 160 − 2PP = €32
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Als een centrale bank via openmarkttransacties staatsobligaties van banken koopt, zal ze meestal:

  1. AGeen effect hebben op de geldhoeveelheid
  2. BDe bankreserves en de geldhoeveelheid vergroten
  3. CDe belastinginkomsten van de overheid verhogen
  4. DDe bankreserves verkleinen en zo de geldhoeveelheid doen krimpen
4.Economische begrippenMoeilijk

Wat is een belangrijk verschil tussen de CPI en de bbp-deflator?

  1. ADe CPI omvat prijzen van geïmporteerde consumptiegoederen; de bbp-deflator alleen binnenlands geproduceerde goederen
  2. BDe CPI omvat investeringsgoederen; de bbp-deflator niet
  3. CDe bbp-deflator omvat geïmporteerde goederen; de CPI niet
  4. DZe geven altijd precies hetzelfde inflatiepercentage

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,4

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(1800 − 1200)/((1200 + 1800)/2) = 600/1500 = 0,4

Relatieve verandering prijs

(1,5 − 2)/((2 + 1,5)/2) = −0,5/1,75 = −0,2857

Elasticiteit

E = 0,4/−0,2857 = −1,4

Antwoord

E = −1,4
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,6667

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 160 − 2·32 = 96

Puntelasticiteit

dQ/dP = −2
E = (dQ/dP)·P/Q = −2·32/96 = −0,6667

Antwoord

E = −0,6667

|E| < 1: de vraag is inelastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: B · De bankreserves en de geldhoeveelheid vergroten

Waarom dit het antwoord is

Het kopen van obligaties brengt reserves in het bankstelsel, wat de geldhoeveelheid meestal vergroot en de rente verlaagt.

Antwoord

B · De bankreserves en de geldhoeveelheid vergroten
4.Economische begrippen

Antwoord: A · De CPI omvat prijzen van geïmporteerde consumptiegoederen; de bbp-deflator alleen binnenlands geproduceerde goederen

Waarom dit het antwoord is

De CPI gebruikt een vast pakket consumptiegoederen, inclusief import, terwijl de deflator alle binnenlands geproduceerde productie met wisselende gewichten omvat.

Antwoord

A · De CPI omvat prijzen van geïmporteerde consumptiegoederen; de bbp-deflator alleen binnenlands geproduceerde goederen

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics