Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €20,00 naar €18,00, verandert de weekafzet van 400 naar 450. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 1000 − 25P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Een Gini-coëfficiënt van 0 duidt op:
De Marshall-Lernervoorwaarde stelt dat een depreciatie van de munt de handelsbalans verbetert als:
Antwoord: E = −1,118
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: P = 20 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.
Antwoord: C · Volledige gelijkheid van inkomen
De Gini-coëfficiënt loopt van 0 (iedereen heeft hetzelfde inkomen) tot 1 (één persoon heeft al het inkomen); hogere waarden betekenen meer ongelijkheid.
Antwoord: C · De som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1
Als de vraag naar export en import elastisch genoeg is (absolute waarden die samen meer dan 1 zijn), overtreffen de volume-effecten de hogere importprijzen en verbetert de balans.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics