Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD400€20,00450€18,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €20,00 naar €18,00, verandert de weekafzet van 400 naar 450. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €20,00P2 = €18,00Q1 = 400Q2 = 450
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQP = ?

De vraag naar een product is Q = 1000 − 25P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?

Q = 1000 − 25P
P = €
3.Economische begrippenGemiddeld

Een Gini-coëfficiënt van 0 duidt op:

  1. ANul economische groei
  2. BNul werkloosheid
  3. CVolledige gelijkheid van inkomen
  4. DVolledige ongelijkheid van inkomen
4.Economische begrippenMoeilijk

De Marshall-Lernervoorwaarde stelt dat een depreciatie van de munt de handelsbalans verbetert als:

  1. ADe rente tegelijkertijd stijgt
  2. BExport en import een prijselasticiteit van nul hebben
  3. CDe som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1
  4. DHet land een begrotingsoverschot heeft

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,118

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(450 − 400)/((400 + 450)/2) = 50/425 = 0,1176

Relatieve verandering prijs

(18 − 20)/((20 + 18)/2) = −2/19 = −0,1053

Elasticiteit

E = 0,1176/−0,1053 = −1,118

Antwoord

E = −1,118
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: P = 20 €

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Omzet als functie van de prijs

R = P·(1000 − 25P) = 1000P − 25P²

Afgeleide gelijk aan nul stellen

dR/dP = 1000 − 50P = 0
P = 1000/50 = €20,00

Antwoord

P = €20,00

Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: C · Volledige gelijkheid van inkomen

Waarom dit het antwoord is

De Gini-coëfficiënt loopt van 0 (iedereen heeft hetzelfde inkomen) tot 1 (één persoon heeft al het inkomen); hogere waarden betekenen meer ongelijkheid.

Antwoord

C · Volledige gelijkheid van inkomen
4.Economische begrippen

Antwoord: C · De som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1

Waarom dit het antwoord is

Als de vraag naar export en import elastisch genoeg is (absolute waarden die samen meer dan 1 zijn), overtreffen de volume-effecten de hogere importprijzen en verbetert de balans.

Antwoord

C · De som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics