Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 10 000 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Het bedrijf verandert de prijs met +10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 320 − 8P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €32.
De prijs van een goed stijgt met 10% en de gevraagde hoeveelheid daalt met 20%. De prijselasticiteit van de vraag is:
Een monopolist maximaliseert zijn winst waar:
Antwoord: ΔR = 6750 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: E = −4
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| > 1: de vraag is elastisch.
Antwoord: A · -2, dus de vraag is elastisch
PED = -20% / 10% = -2; omdat de absolute waarde boven 1 ligt, is de vraag elastisch.
Antwoord: C · De marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten
De winst is maximaal bij MO = MK. Voor een monopolist ligt de prijs boven de MO, dus P > MK, wat een welvaartsverlies oplevert.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics