Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD1 000€20Q2​P2​ (−15%)ΔR = ?

Van een product worden 1 000 stuks per maand verkocht voor €20. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Het bedrijf verandert de prijs met −15%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?

P1 = €20Q1 = 1 000E = −0,5%ΔP = −15%
ΔR = €
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQP = ?

De vraag naar een product is Q = 1000 − 50P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?

Q = 1000 − 50P
P = €
3.Economische begrippenGemiddeld

De inkomenselasticiteit van de vraag naar een goed is -0,4. Het goed is:

  1. AEen inferieur goed
  2. BEen normaal primair goed
  3. CEen luxegoed
  4. DEen complementair goed
4.Economische begrippenMoeilijk

De "convergentiehypothese" uit het Solowmodel voorspelt dat:

  1. AArmere landen met vergelijkbare fundamenten meestal sneller groeien dan rijkere
  2. BWisselkoersen naar een vaste waarde convergeren
  3. CRijke landen altijd sneller groeien dan arme, omdat ze meer kapitaal hebben
  4. DAlle landen uiteindelijk dezelfde bevolkingsomvang krijgen

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: ΔR = −1725 €

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Nieuwe prijs en hoeveelheid

P2 = 20·0,85 = €17,00
Q2 = 1 000·1,075 = 1075

Verandering van de omzet

ΔR = 17·1075 − 20·1 000 = 18 275,00 − 20 000 = −€1 725,00

Antwoord

ΔR = −€1 725,00

|E| < 1: de vraag is inelastisch.

2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: P = 10 €

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Omzet als functie van de prijs

R = P·(1000 − 50P) = 1000P − 50P²

Afgeleide gelijk aan nul stellen

dR/dP = 1000 − 100P = 0
P = 1000/100 = €10,00

Antwoord

P = €10,00

Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: A · Een inferieur goed

Waarom dit het antwoord is

Een negatieve inkomenselasticiteit betekent dat de vraag daalt als het inkomen stijgt, wat een inferieur goed definieert; luxegoederen hebben een inkomenselasticiteit boven 1.

Antwoord

A · Een inferieur goed
4.Economische begrippen

Antwoord: A · Armere landen met vergelijkbare fundamenten meestal sneller groeien dan rijkere

Waarom dit het antwoord is

Kapitaalarme economieën hebben een hoger rendement op investeringen, dus bij vergelijkbare spaarquotes en technologie zouden ze moeten inhalen (conditionele convergentie).

Antwoord

A · Armere landen met vergelijkbare fundamenten meestal sneller groeien dan rijkere

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics