Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €15,00 naar €25,00, verandert de weekafzet van 400 naar 190. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De (inverse) vraag naar een product is P = 40 − 1Q, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E als er 28 stuks worden verkocht.
Een land heft een invoertarief op geïmporteerd staal. Welk effect is het meest waarschijnlijk?
Een Giffengoed is een goed waarbij:
Antwoord: E = −1,424
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: E = −0,4286
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: C · De binnenlandse staalprijs stijgt en de binnenlandse productie neemt toe
Het tarief verhoogt de binnenlandse prijs, wat de binnenlandse productie en de overheidsinkomsten vergroot, maar het consumentensurplus verkleint en welvaartsverlies veroorzaakt.
Antwoord: C · De gevraagde hoeveelheid stijgt als de prijs stijgt, omdat een sterk inkomenseffect het substitutie-effect overtreft
Bij een Giffengoed overheerst het inkomenseffect van een prijsstijging (je armer voelen, meer van het goedkope basisvoedsel kopen) het substitutie-effect, zodat de vraaglijn stijgt.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics