Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD400€12,00290€14,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €14,00, verandert de weekafzet van 400 naar 290. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €12,00P2 = €14,00Q1 = 400Q2 = 290
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€23

De vraag naar een product is Q = 120 − 4P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €23.

Q = 120 − 4PP = €23
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Een Gini-coëfficiënt van 0 duidt op:

  1. ANul werkloosheid
  2. BNul economische groei
  3. CVolledige ongelijkheid van inkomen
  4. DVolledige gelijkheid van inkomen
4.Economische begrippenMoeilijk

De "convergentiehypothese" uit het Solowmodel voorspelt dat:

  1. AAlle landen uiteindelijk dezelfde bevolkingsomvang krijgen
  2. BWisselkoersen naar een vaste waarde convergeren
  3. CArmere landen met vergelijkbare fundamenten meestal sneller groeien dan rijkere
  4. DRijke landen altijd sneller groeien dan arme, omdat ze meer kapitaal hebben

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −2,072

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(290 − 400)/((400 + 290)/2) = −110/345 = −0,3188

Relatieve verandering prijs

(14 − 12)/((12 + 14)/2) = 2/13 = 0,1538

Elasticiteit

E = −0,3188/0,1538 = −2,072

Antwoord

E = −2,072
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −3,286

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 120 − 4·23 = 28

Puntelasticiteit

dQ/dP = −4
E = (dQ/dP)·P/Q = −4·23/28 = −3,286

Antwoord

E = −3,286

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: D · Volledige gelijkheid van inkomen

Waarom dit het antwoord is

De Gini-coëfficiënt loopt van 0 (iedereen heeft hetzelfde inkomen) tot 1 (één persoon heeft al het inkomen); hogere waarden betekenen meer ongelijkheid.

Antwoord

D · Volledige gelijkheid van inkomen
4.Economische begrippen

Antwoord: C · Armere landen met vergelijkbare fundamenten meestal sneller groeien dan rijkere

Waarom dit het antwoord is

Kapitaalarme economieën hebben een hoger rendement op investeringen, dus bij vergelijkbare spaarquotes en technologie zouden ze moeten inhalen (conditionele convergentie).

Antwoord

C · Armere landen met vergelijkbare fundamenten meestal sneller groeien dan rijkere

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics