Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €14,00, verandert de weekafzet van 800 naar 690. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 1600 − 20P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €64.
De inkomenselasticiteit van de vraag naar een goed is -0,4. Het goed is:
In het Mundell-Flemingmodel met volledige kapitaalmobiliteit en een zwevende wisselkoers:
Antwoord: E = −0,9597
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: E = −4
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| > 1: de vraag is elastisch.
Antwoord: B · Een inferieur goed
Een negatieve inkomenselasticiteit betekent dat de vraag daalt als het inkomen stijgt, wat een inferieur goed definieert; luxegoederen hebben een inkomenselasticiteit boven 1.
Antwoord: D · Is monetair beleid effectief, maar begrotingsbeleid grotendeels ineffectief
Bij zwevende koersen veroorzaakt fiscale expansie een appreciatie die de netto-export verdringt, terwijl monetaire expansie een depreciatie veroorzaakt die de productie stimuleert; bij vaste koersen is het resultaat omgekeerd.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics