Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD1000€10,00760€14,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €10,00 naar €14,00, verandert de weekafzet van 1000 naar 760. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €10,00P2 = €14,00Q1 = 1000Q2 = 760
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€8

De vraag naar een product is Q = 500 − 25P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €8.

Q = 500 − 25PP = €8
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Een land heft een invoertarief op geïmporteerd staal. Welk effect is het meest waarschijnlijk?

  1. ADe wereldprijs van staal stijgt sterk voor alle landen die erin handelen
  2. BDe binnenlandse staalprijs stijgt en de binnenlandse productie neemt toe
  3. CDe binnenlandse staalprijs daalt en de import stijgt
  4. DBinnenlandse consumenten winnen surplus
4.Economische begrippenMoeilijk

Een liquiditeitsval is een situatie waarin:

  1. ADe centrale bank de rente sterk verhoogt om hoge en snel stijgende inflatie te bestrijden
  2. BDe inflatie zeer hoog is en stijgt
  3. CBanken geen geld meer hebben om uit te lenen
  4. DDe rente bijna nul is en verdere monetaire verruiming weinig effect heeft op de vraag

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,8182

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(760 − 1000)/((1000 + 760)/2) = −240/880 = −0,2727

Relatieve verandering prijs

(14 − 10)/((10 + 14)/2) = 4/12 = 0,3333

Elasticiteit

E = −0,2727/0,3333 = −0,8182

Antwoord

E = −0,8182
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,6667

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 500 − 25·8 = 300

Puntelasticiteit

dQ/dP = −25
E = (dQ/dP)·P/Q = −25·8/300 = −0,6667

Antwoord

E = −0,6667

|E| < 1: de vraag is inelastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: B · De binnenlandse staalprijs stijgt en de binnenlandse productie neemt toe

Waarom dit het antwoord is

Het tarief verhoogt de binnenlandse prijs, wat de binnenlandse productie en de overheidsinkomsten vergroot, maar het consumentensurplus verkleint en welvaartsverlies veroorzaakt.

Antwoord

B · De binnenlandse staalprijs stijgt en de binnenlandse productie neemt toe
4.Economische begrippen

Antwoord: D · De rente bijna nul is en verdere monetaire verruiming weinig effect heeft op de vraag

Waarom dit het antwoord is

Als de nominale rente bij haar ondergrens ligt, houden mensen extra geld aan in plaats van het uit te geven, zodat conventioneel monetair beleid zijn kracht verliest en begrotingsbeleid of onconventionele instrumenten belangrijker worden.

Antwoord

D · De rente bijna nul is en verdere monetaire verruiming weinig effect heeft op de vraag

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics