Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD100€25,00120€15,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €25,00 naar €15,00, verandert de weekafzet van 100 naar 120. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €25,00P2 = €15,00Q1 = 100Q2 = 120
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQP = ?

De vraag naar een product is Q = 500 − 25P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?

Q = 500 − 25P
P = €
3.Economische begrippenGemiddeld

In een eenvoudige gesloten economie zonder belastingen is de marginale consumptiequote 0,8. De keynesiaanse bestedingsmultiplier is:

  1. A5
  2. B0,8
  3. C1,25
  4. D8
4.Economische begrippenMoeilijk

Ricardiaanse equivalentie suggereert dat een met schuld gefinancierde belastingverlaging:

  1. ADe consumptie sterk verhoogt, omdat huishoudens het grootste deel van de belastingverlaging via de multiplier besteden
  2. BAltijd inflatie veroorzaakt
  3. CDe rente sterk verlaagt
  4. DWeinig effect heeft op de bestedingen, omdat huishoudens sparen om verwachte toekomstige belastingen te betalen

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,3636

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(120 − 100)/((100 + 120)/2) = 20/110 = 0,1818

Relatieve verandering prijs

(15 − 25)/((25 + 15)/2) = −10/20 = −0,5

Elasticiteit

E = 0,1818/−0,5 = −0,3636

Antwoord

E = −0,3636
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: P = 10 €

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Omzet als functie van de prijs

R = P·(500 − 25P) = 500P − 25P²

Afgeleide gelijk aan nul stellen

dR/dP = 500 − 50P = 0
P = 500/50 = €10,00

Antwoord

P = €10,00

Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: A · 5

Waarom dit het antwoord is

1 / (1 − 0,8) = 1 / 0,2 = 5, dus €1 extra bestedingen kan het inkomen met maximaal €5 verhogen.

Antwoord

A · 5
4.Economische begrippen

Antwoord: D · Weinig effect heeft op de bestedingen, omdat huishoudens sparen om verwachte toekomstige belastingen te betalen

Waarom dit het antwoord is

Als consumenten vooruitkijken en zien dat overheidsleningen later hogere belastingen betekenen, sparen ze de belastingverlaging, zodat de geaggregeerde vraag nauwelijks verandert.

Antwoord

D · Weinig effect heeft op de bestedingen, omdat huishoudens sparen om verwachte toekomstige belastingen te betalen

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics