Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD200€25,00190€27,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €25,00 naar €27,00, verandert de weekafzet van 200 naar 190. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €25,00P2 = €27,00Q1 = 200Q2 = 190
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€21

De vraag naar een product is Q = 60 − 2P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €21.

Q = 60 − 2PP = €21
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

In een eenvoudige gesloten economie zonder belastingen is de marginale consumptiequote 0,8. De keynesiaanse bestedingsmultiplier is:

  1. A8
  2. B5
  3. C1,25
  4. D0,8
4.Economische begrippenMoeilijk

Het J-curve-effect beschrijft waarom de handelsbalans na een depreciatie:

  1. AEerst kan verslechteren en daarna verbeteren
  2. BEerst kan verbeteren en daarna verslechteren
  3. COnmiddellijk en blijvend kan verbeteren
  4. DVele jaren ongewijzigd kan blijven

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,6667

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(190 − 200)/((200 + 190)/2) = −10/195 = −0,05128

Relatieve verandering prijs

(27 − 25)/((25 + 27)/2) = 2/26 = 0,07692

Elasticiteit

E = −0,05128/0,07692 = −0,6667

Antwoord

E = −0,6667
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −2,333

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 60 − 2·21 = 18

Puntelasticiteit

dQ/dP = −2
E = (dQ/dP)·P/Q = −2·21/18 = −2,333

Antwoord

E = −2,333

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: B · 5

Waarom dit het antwoord is

1 / (1 − 0,8) = 1 / 0,2 = 5, dus €1 extra bestedingen kan het inkomen met maximaal €5 verhogen.

Antwoord

B · 5
4.Economische begrippen

Antwoord: A · Eerst kan verslechteren en daarna verbeteren

Waarom dit het antwoord is

Op korte termijn passen volumes zich langzaam aan terwijl importprijzen meteen stijgen, zodat de balans verslechtert voordat de Marshall-Lernervoorwaarde gaat werken.

Antwoord

A · Eerst kan verslechteren en daarna verbeteren

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics