Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 10 000 stuks per maand verkocht voor €12. De prijselasticiteit van de vraag is −0,4. Het bedrijf verandert de prijs met −5%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −3, dus Q = A·P^−3. Bij een prijs van €5 worden 8 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €6,00?
De prijs van een goed stijgt met 10% en de gevraagde hoeveelheid daalt met 20%. De prijselasticiteit van de vraag is:
Het Fishereffect voorspelt dat een blijvende stijging van de verwachte inflatie met 2 procentpunt op lange termijn:
Antwoord: ΔR = −3720 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: Q = 4630 stuks
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: C · -2, dus de vraag is elastisch
PED = -20% / 10% = -2; omdat de absolute waarde boven 1 ligt, is de vraag elastisch.
Antwoord: D · De nominale rente met ongeveer 2 punten verhoogt, terwijl de reële rente gelijk blijft
Uitleners eisen compensatie voor verwachte inflatie, dus de nominale rente beweegt op lange termijn één-op-één mee, terwijl de reële rente door reële factoren wordt bepaald.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics