Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €15,00 naar €9,00, verandert de weekafzet van 400 naar 590. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 160 − 2P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Verdringing (crowding out) verwijst naar:
Een Giffengoed is een goed waarbij:
Antwoord: E = −0,7677
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: P = 40 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.
Antwoord: A · Hogere overheidsleningen die de rente verhogen en particuliere investeringen verminderen
Als overheidsleningen de rente verhogen, zijn sommige particuliere investeringen niet meer rendabel, wat het netto-effect van fiscale expansie verkleint.
Antwoord: A · De gevraagde hoeveelheid stijgt als de prijs stijgt, omdat een sterk inkomenseffect het substitutie-effect overtreft
Bij een Giffengoed overheerst het inkomenseffect van een prijsstijging (je armer voelen, meer van het goedkope basisvoedsel kopen) het substitutie-effect, zodat de vraaglijn stijgt.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics