Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 2 500 stuks per maand verkocht voor €10. De prijselasticiteit van de vraag is −0,4. Het bedrijf verandert de prijs met −15%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 2000 − 25P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
In een oligopolie zijn bedrijven meestal:
De Laffercurve illustreert dat:
Antwoord: ΔR = −2475 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: P = 40 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.
Antwoord: D · Gering in aantal en afhankelijk van elkaars beslissingen
Oligopolies hebben een paar grote bedrijven waarvan de prijs- en productiebeslissingen elkaar beïnvloeden; ze worden vaak met speltheorie geanalyseerd.
Antwoord: C · Voorbij een bepaald punt het verhogen van belastingtarieven de totale belastingopbrengst kan verlagen
Zeer hoge tarieven ontmoedigen de belaste activiteit of moedigen ontwijking aan, zodat de opbrengst bij een tarief tussen 0 en 100% piekt; waar die piek ligt, is omstreden.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics