Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 2 000 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Het bedrijf verandert de prijs met −10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 1000 − 20P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €38.
Een sterke stijging van de olieprijs op de wereldmarkt die tot hogere inflatie leidt, is een voorbeeld van:
Een welvaartsverlies (deadweight loss) is:
Antwoord: ΔR = 3750 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| > 1: de vraag is elastisch.
Antwoord: E = −3,167
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| > 1: de vraag is elastisch.
Antwoord: A · Kosteninflatie (cost-push)
Hogere inputkosten verschuiven het geaggregeerde aanbod naar links, wat prijzen verhoogt en mogelijk de productie verlaagt; bestedingsinflatie komt voort uit een overmaat aan geaggregeerde vraag.
Antwoord: B · Het verlies aan totaal surplus als de productie afwijkt van het efficiënte niveau
Het welvaartsverlies is de daling van het gezamenlijke consumenten- en producentensurplus door verstoringen zoals belastingen, monopolie of prijsregulering.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics