Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €40,00 naar €50,00, verandert de weekafzet van 400 naar 320. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 160 − 2P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €16.
Een spaarrekening geeft een nominale rente van 6% en de inflatie is 4%. De reële rente is ongeveer:
Prijsdiscriminatie door een bedrijf vereist dat het:
Antwoord: E = −1
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: E = −0,25
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: A · 2%
De reële rente is ongeveer de nominale rente min de inflatie: 6% − 4% = 2%.
Antwoord: D · Marktmacht heeft, markten kan scheiden en doorverkoop kan voorkomen
Om voor hetzelfde goed verschillende prijzen te vragen, heeft een bedrijf marktmacht nodig, moet het groepen met verschillende elasticiteit kunnen onderscheiden en arbitrage voorkomen.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics