Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 1 000 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −0,3. Het bedrijf verandert de prijs met +10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 2000 − 50P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €24.
Een waardedaling (depreciatie) van de munt zorgt er meestal voor dat:
Een monopolist heeft vraag P = 100 − Q en constante marginale kosten van 20. Wat zijn de winstmaximaliserende productie en prijs?
Antwoord: ΔR = 1005 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: E = −1,5
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| > 1: de vraag is elastisch.
Antwoord: C · Export in het buitenland goedkoper en import duurder wordt
Een zwakkere munt verbetert de concurrentiepositie van de export en maakt import duurder, wat de inflatie kan verhogen.
Antwoord: D · Q = 40, P = 60
MO = MK geeft 100 − 2Q = 20, dus Q = 40; de prijs volgens de vraaglijn is 100 − 40 = 60.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics