Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD1 000€15Q2​P2​ (+10%)ΔR = ?

Van een product worden 1 000 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −0,3. Het bedrijf verandert de prijs met +10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?

P1 = €15Q1 = 1 000E = −0,3%ΔP = +10%
ΔR = €
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€24

De vraag naar een product is Q = 2000 − 50P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €24.

Q = 2000 − 50PP = €24
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Een waardedaling (depreciatie) van de munt zorgt er meestal voor dat:

  1. AImport goedkoper wordt
  2. BDe handel niet verandert
  3. CExport in het buitenland goedkoper en import duurder wordt
  4. DAlle binnenlandse goederen goedkoper en importgoederen ook goedkoper worden
4.Economische begrippenMoeilijk

Een monopolist heeft vraag P = 100 − Q en constante marginale kosten van 20. Wat zijn de winstmaximaliserende productie en prijs?

  1. AQ = 40, P = 20
  2. BQ = 50, P = 50
  3. CQ = 80, P = 20
  4. DQ = 40, P = 60

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: ΔR = 1005 €

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Nieuwe prijs en hoeveelheid

P2 = 15·1,1 = €16,50
Q2 = 1 000·0,97 = 970

Verandering van de omzet

ΔR = 16,5·970 − 15·1 000 = 16 005,00 − 15 000 = €1 005,00

Antwoord

ΔR = €1 005,00

|E| < 1: de vraag is inelastisch.

2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,5

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 2000 − 50·24 = 800

Puntelasticiteit

dQ/dP = −50
E = (dQ/dP)·P/Q = −50·24/800 = −1,5

Antwoord

E = −1,5

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: C · Export in het buitenland goedkoper en import duurder wordt

Waarom dit het antwoord is

Een zwakkere munt verbetert de concurrentiepositie van de export en maakt import duurder, wat de inflatie kan verhogen.

Antwoord

C · Export in het buitenland goedkoper en import duurder wordt
4.Economische begrippen

Antwoord: D · Q = 40, P = 60

Waarom dit het antwoord is

MO = MK geeft 100 − 2Q = 20, dus Q = 40; de prijs volgens de vraaglijn is 100 − 40 = 60.

Antwoord

D · Q = 40, P = 60

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics