Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 10 000 stuks per maand verkocht voor €4. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Het bedrijf verandert de prijs met +10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 100 − 5P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
De benzineprijs stijgt sterk. Wat gebeurt er met de vraaglijn naar grote auto's?
Bij een normaal goed zullen, als de prijs daalt, het substitutie-effect en het inkomenseffect:
Antwoord: ΔR = −7000 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| > 1: de vraag is elastisch.
Antwoord: P = 10 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.
Antwoord: D · Ze verschuift naar links
Benzine en auto's zijn complementair, dus een hogere benzineprijs verlaagt de vraag naar auto's bij elke autoprijs, waardoor de vraaglijn naar links verschuift.
Antwoord: D · Allebei de gevraagde hoeveelheid verhogen
Het substitutie-effect bevoordeelt altijd het goedkopere goed, en bij een normaal goed verhoogt het hogere reële inkomen ook de vraag, dus beide effecten versterken elkaar.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics