Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Golven, geluid & optica
Golfsnelheid
v = fλ, T = 1/f
Snaar
v = √(T/μ), μ = m/L
Geluidsniveau
β = 10·log10(I/I0), I0 = 10⁻¹² W/m²
Puntbron
I = P/(4πr²)
Staande golven
snaar of aan beide kanten open buis fn = n·v/(2L); aan één kant gesloten buis fn = n·v/(4L), n oneven
Dopplereffect
f′ = f·(v ± vo)/(v ∓ vs)
Brekingsindex
n = c/v, λ = λ0/n
Wet van Snellius
n1sin θ1 = n2sin θ2
Kritieke hoek
sin θc = n2/n1
Glasvezel
NA = sin θa = √(n1² − n2²)
Lenzen en spiegels
1/f = 1/do + 1/di, m = −di/do, mirror f = R/2
Dubbele spleet
d·sin θ = mλ, ym = mλL/d
Tralie
d = 1/N, d·sin θ = mλ, mmax ≤ d/λ
Enkele spleet
a·sin θ = mλ (dark), w = 2λL/a
Methode
Bepaal het soort opgave: golfsnelheid, geluidsniveau, staande golf, Doppler, breking, lens of spiegel, of interferentie.
Schrijf eerst de formule op: v = fλ, β = 10·log(I/I₀), fₙ = n·v/(2L) of n·v/(4L), f′ = f(v ± vo)/(v ∓ vs), n₁sin θ₁ = n₂sin θ₂, 1/f = 1/d₀ + 1/dᵢ, d·sin θ = mλ.
Reken eenheden om: nm, mm en cm naar m, en controleer of hoeken vanaf de normaal worden gemeten.
Controleer tekens en aannemelijkheid: een virtueel beeld heeft dᵢ < 0, een naderende bron klinkt hoger, een aan één kant gesloten buis heeft alleen oneven harmonischen.
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een auto die met 72 km/h rijdt, remt met een constante vertraging van 6 m/s² tot hij stilstaat. Hoelang duurt het remmen? Bereken t.
v₀ = 72 km/ha = −6 m/s²v = 0
t = s
2.KinematicaMoeilijk
Een steen wordt vanuit rust in een put losgelaten. De plons is 4,9 s na het loslaten te horen. De geluidssnelheid is 343 m/s; verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de diepte d van de put.
ttotal = 4,9 svsound = 343 m/sg = 9,81 m/s²
d = m
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Massa’s van 6,5 kg en 0,5 kg hangen aan weerszijden van een lichte, wrijvingsloze katrol, verbonden door een licht touw. Het systeem wordt vanuit rust losgelaten. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de versnelling a van de massa’s.
m1 = 6,5 kgm2 = 0,5 kgg = 9,81 m/s²
a = m/s²
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Een blok van 2,5 kg op een horizontale tafel is via een licht touw over een wrijvingsloze katrol verbonden met een hangende massa van 4,5 kg. De tafel is wrijvingsloos. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw.
m1 = 2,5 kgm2 = 4,5 kgμ = 0g = 9,81 m/s²
T = N
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt onder 25° boven de horizontaal vanaf vlak terrein weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de maximale hoogte H die de bal bereikt.
v0 = 14 m/sθ = 25°g = 9,81 m/s²
H = m
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt gelanceerd met 26 m/s onder 35° boven de horizontaal vanaf de top van een klif van 55 m. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v waarmee hij de grond raakt.
v₀ = 26 m/sθ = 35°h = 55 mg = 9,81 m/s²
v = m/s
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een klein balletje aan een touwtje met lengte 1,8 m beweegt in een horizontale cirkel, zodat het touwtje een constante hoek van 15° met de verticaal maakt (een kegelslinger). Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v van het balletje.
L = 1,8 mθ = 15°g = 9,81 m/s²
v = m/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een karretje van 4 kg wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 3,3 m op een wrijvingsloze baan en rijdt door een verticale looping met straal 1 m. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de normaalkracht Nbottom van de baan op het karretje onderaan de looping.
m = 4 kgh = 3,3 mR = 1 mg = 9,81 m/s²
Nbottom = N
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een blok van 2 kg glijdt 11 m een helling af onder 35° met de horizontaal, met een kinetische wrijvingscoëfficiënt van 0,25. Vind de arbeid Wf tegen de wrijving.
m = 2 kgθ = 35°μ = 0,25d = 11 mg = 9,81 m/s²
Wf = J
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een karretje van 2 kg wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 6 m op een gladde baan die uitkomt in een verticale looping met straal 1,5 m. Vind de normaalkracht N die de baan bovenaan de looping op het karretje uitoefent.
m = 2 kgh = 6 mR = 1,5 mg = 9,81 m/s²
N = N
11.Impuls en botsingenGemiddeld
Een projectiel van 15 kg dat horizontaal met 27 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 1 kg gaat met 84 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 14 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
M = 15 kgu = 27 m/sm1 = 1 kgv′1 = 84 m/sm2 = 14 kg
v′2 = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een kogel van 10 g wordt horizontaal afgevuurd in een blok van 4,5 kg dat aan lichte touwtjes van 0,6 m lang hangt, en blijft erin steken. De touwtjes zwaaien uit tot een grootste hoek van 25° met de verticaal. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v van de kogel vóór de inslag.
m = 10 gM = 4,5 kgL = 0,6 mθ = 25°g = 9,81 m/s²
v = m/s
13.Veren en slingersGemiddeld
Een massa van 2,9 kg aan een veer met k = 60 N/m wordt 3 cm in de positieve richting uitgetrokken en op t = 0 vanuit rust losgelaten. Vind de uitwijking x uit de evenwichtsstand op t = 0,9 s (met teken).
m = 2,9 kgk = 60 N/mA = 3 cmt = 0,9 s
x = cm
14.Veren en slingersMoeilijk
Een massa van 2,7 kg aan een veer met k = 310 N/m wordt 17 cm uit de evenwichtsstand getrokken en losgelaten. Bereken de maximale versnelling amax.
m = 2,7 kgk = 310 N/mA = 17 cm
amax = m/s²
15.Golven, geluid & opticaGemiddeld
Een voorwerp van 3 cm hoog staat 25 cm voor een dunne divergerend lens met een brandpuntsafstand van 20 cm. Bepaal de beeldhoogte hi (negatief voor een omgekeerd beeld).
ho = 3 cmdo = 25 cmf = −20 cm
hi = cm
16.Golven, geluid & opticaMoeilijk
Een tralie met 300 lijnen per millimeter toont het maximum van orde 2 van een spectraallijn onder 18,6° met de rechtdoorgaande richting. Bepaal de golflengte λ van de lijn.
N = 300 mm⁻¹θ2 = 18,6°m = 2
λ = nm
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: t = 3,333 s
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Eenheden
v₀ = 72/3,6 = 20 m/s
Remtijd
0 = v₀ − a·t → t = v₀/a = 20/6 = 3,333 s
Antwoord
t = 3,333 s
2.Kinematica
Antwoord: d = 103,7 m
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Twee delen van de tijd
½·9,81·t₁² = 343·(4,9 − t₁)
4,905·t₁² + 343·t₁ − 1681 = 0
Valtijd
Alleen de positieve wortel is fysisch zinvol.
t₁ = (−343 + √(343² + 4·4,905·1681))/(2·4,905) = 4,598 s
Diepte
d = ½·9,81·4,598² = 103,7 m
Antwoord
d = 103,7 m
3.Wetten van Newton
Antwoord: a = 8,409 m/s²
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Versnelling
De netto aandrijvende kracht is het verschil van de gewichten; die beweegt de totale massa.
a = (6,5 − 0,5)·9,81/(6,5 + 0,5) = 8,409 m/s²
Antwoord
a = 8,409 m/s²
4.Wetten van Newton
Antwoord: T = 15,77 N
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 14·cos 25° = 12,69 m/s
vy = v0·sin θ = 14·sin 25° = 5,917 m/s
Hoogste punt
Bovenaan is de verticale snelheid nul: vy² = 2gH.
H = vy²/(2g) = 5,917²/(2·9,81) = 1,784 m
Antwoord
H = 1,784 m
6.Kogelbaan
Antwoord: v = 41,89 m/s
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Ontbind de beginsnelheid
vx = 26·cos 35° = 21,3 m/s
vy0 = 26·sin 35° = 14,91 m/s
Verticale snelheid bij de inslag
Energie, of v² = v₀² + 2as in de verticale richting.
vy = √(14,91² + 2·9,81·55) = 36,08 m/s
Inslagsnelheid
v = √(21,3² + 36,08²) = 41,89 m/s
Antwoord
v = 41,89 m/s
Controleer met energie: v² = v₀² + 2gh.
7.Cirkelbeweging
Antwoord: v = 1,107 m/s
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Straal van de cirkel
r = L·sin θ = 1,8·sin 15° = 0,4659 m
Snelheid
Spankracht en zwaartekracht geven samen de kracht naar binnen: tan θ = v²/(r·g).
v = √(r·g·tan θ) = √(0,4659·9,81·tan 15°) = 1,107 m/s
Antwoord
v = 1,107 m/s
8.Cirkelbeweging
Antwoord: Nbottom = 298,2 N
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Snelheid uit behoud van energie
v² = 2·9,81·3,3 = 64,75 m²/s²
Krachten
Naar het middelpunt is positief.
N = m·v²/R + m·g = 4·64,75/1 + 39,24 = 298,2 N
Antwoord
Nbottom = 298,2 N
9.Arbeid en energie
Antwoord: Wf = 44,2 J
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Wrijvingskracht
N = mg·cos θ = 19,62·0,8192 = 16,07 N
F = μN = 0,25·16,07 = 4,018 N
Arbeid tegen de wrijving
Wf = F·d = 4,018·11 = 44,2 J
Antwoord
Wf = 44,2 J
10.Arbeid en energie
Antwoord: N = 58,86 N
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d). Op een cirkelbaan moet de nettokracht naar het middelpunt gelijk zijn aan mv²/r.
Snelheid bovenaan
v² = 2g(h − 2R) = 2·9,81·(6 − 3) = 58,86 m²/s²
Krachten bovenaan
m·g = 2·9,81 = 19,62 N
N = mv²/R − mg = 2·58,86/1,5 − 19,62 = 58,86 N
Antwoord
N = 58,86 N
Het karretje komt er net rond als h = 2,5R; dan is N = 0 bovenaan.
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v′2 = 22,93 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Impuls vooraf
p = M·u = 15·27 = 405 kg·m/s
Impuls achteraf
405 = 1·84 + 14·v′2
v′2 = (405 − 84)/14 = 22,93 m/s
Antwoord
v′2 = 22,93 m/s
12.Impuls en botsingen
Antwoord: v = 473,6 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Stijging van het blok
h = L·(1 − cos θ) = 0,6·(1 − cos 25°) = 0,05622 m
Snelheid na de inslag
V = √(2·9,81·0,05622) = 1,05 m/s
Botsing
v = (m + M)·V/m = 4,51·1,05/0,01 = 473,6 m/s
Antwoord
v = 473,6 m/s
13.Veren en slingers
Antwoord: x = −1,74 cm
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = √(60/2,9) = 4,549 rad/s
ω·t = 4,549·0,9 = 4,094 rad
Verplaatsing
x = A·cos(ω·t) = 3·cos(4,094) = −1,74 cm
Antwoord
x = −1,74 cm
14.Veren en slingers
Antwoord: amax = 19,52 m/s²
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = √(310/2,7) = 10,72 rad/s
Maximale versnelling
amax = A·ω² = 0,17·10,72² = 19,52 m/s²
Antwoord
amax = 19,52 m/s²
15.Golven, geluid & optica
Antwoord: hi = 1,333 cm
Geometrische optica: aan een grensvlak geldt n₁·sin θ₁ = n₂·sin θ₂ (wet van Snellius), met hoeken gemeten vanaf de normaal en n = c/v. Bij overgang naar een trager medium buigt de straal naar de normaal toe. Vanuit een dichter medium (n₁ > n₂) wordt voorbij de kritieke hoek θc = arcsin(n₂/n₁) al het licht gereflecteerd: totale interne reflectie. Dunne lenzen en bolle of holle spiegels gehoorzamen aan 1/f = 1/do + 1/di met de vergroting m = −di/do. Tekenconventie: f > 0 voor een convergerende lens en een holle spiegel (f = R/2), f < 0 voor een divergerende lens en een bolle spiegel; di > 0 voor een reëel beeld, di < 0 voor een virtueel beeld, en m < 0 voor een omgekeerd beeld.
Dunne-lensvergelijking
1/di = 1/f − 1/do = 1/(−20) − 1/25
di = −11,11 cm
Vergroting en hoogte
m = −(−11,11)/25 = 0,4444
hi = 0,4444·3 = 1,333 cm
Antwoord
hi = 1,333 cm
16.Golven, geluid & optica
Antwoord: λ = 531,6 nm
Interferentie en diffractie: licht van twee spleten op afstand d van elkaar bereikt een punt op het scherm met een gangverschil d·sin θ. Heldere franjes verschijnen waar d·sin θ = mλ (m = 0, ±1, ±2, …). Voor een scherm op afstand L ≫ d ligt de m-de heldere franje op y = mλL/d en is de franjeafstand Δy = λL/d. Een tralie met N lijnen per millimeter heeft d = 1/N en scherpe maxima bij d·sin θ = mλ; omdat sin θ ≤ 1, is de hoogste orde het grootste gehele getal m ≤ d/λ. Een enkele spleet met breedte a heeft donkere franjes bij a·sin θ = mλ, m = ±1, ±2, …