Natuurkunde 2: Elektriciteit en magnetisme: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 10 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Wet van Coulomb en elektrische velden

Wet van Coulomb
F = k·|q1q2|/r²
Veld van een puntlading
E = k·|q|/r²
Constante
k = 8,99 × 10⁹ N·m²/C²
Kracht op een lading
F = q·E

Serie- en parallelweerstanden

Weerstanden in serie
Req = R1 + R2 + …
Weerstanden parallel
1/Req = 1/R1 + 1/R2 + …
Twee parallel
Req = R1R2 / (R1 + R2)
Wet van Ohm
V = I·R
Vermogen
P = V·I = I²R = V²/R

Methode

  1. Begin aan het uiteinde van het netwerk dat het verst van de klemmen ligt.
  2. Combineer weerstanden in serie door ze op te tellen, en weerstanden parallel met 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …
  3. Teken de schakeling na elke stap opnieuw.
  4. Herhaal tot er één weerstand tussen de klemmen over is.

RC- en RL-schakelverschijnselen

Tijdconstante
τ = RC | τ = L/R
Respons
x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ
Condensator bij gelijkstroom
open klemmen; vC kan niet verspringen
Spoel bij gelijkstroom
kortsluiting; iL kan niet verspringen
Eindtoestand
t ≈ 5τ

Methode

  1. Bepaal de beginwaarde vlak na het schakelen: een condensatorspanning en een spoelstroom kunnen niet verspringen.
  2. Bepaal de eindwaarde lang na het schakelen: een condensator gedraagt zich als een open keten, een spoel als een kortsluiting.
  3. Bepaal de tijdconstante: τ = RC of τ = L/R, met de weerstand die de condensator of spoel ziet.
  4. Gebruik x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ.

Magnetische velden & inductie

Lange rechte draad
B = μ0I/(2πr)
Midden van een platte spoel
B = μ0NI/(2R)
Lange solenoïde
B = μ0nI, n = N/L
Constante
μ0 = 4π × 10⁻⁷ T·m/A
Kracht op een draad
F = BIL·sin θ
Kracht op een lading
F = |q|vB·sin θ
Cirkelbeweging
r = mv/(|q|B), T = 2πm/(|q|B)
Evenwijdige draden
F/L = μ0I1I2/(2πd)
Flux
Φ = BA·cos θ
Wet van Faraday
ε = −N·ΔΦ/Δt
Bewegende staaf
ε = BLv
Generator
E0 = NBAω, Erms = E0/√2
Zelfinductie
ε = L·ΔI/Δt, L = μ0N²A/l, W = ½LI²
Wederzijdse inductie
ε2 = M·di1/dt, M = k√(L1L2)
Snelheidsselector en spectrometer
v = E/B, r = √(2mV/|q|)/B

Methode

  1. Reken elke grootheid om naar SI-eenheden: cm naar m, cm² naar m², mT en µT naar T.
  2. Kies de juiste formule: B = μ₀I/(2πr) voor een draad, μ₀NI/(2R) voor het midden van een spoel, μ₀nI in een solenoïde; F = BIL·sin θ of |q|vB·sin θ voor krachten.
  3. Bepaal bij inductie de fluxverandering ΔΦ = Δ(BA·cos θ) en gebruik ε = N·ΔΦ/Δt, of ε = BLv voor een bewegende staaf en NBAω voor een draaiende spoel.
  4. Bepaal richtingen apart met de rechterhandregels, en met de wet van Lenz voor geïnduceerde stromen.

Wisselstroomimpedantie en fasoren

Impedanties
ZR = R, ZL = jωL, ZC = 1/(jωC)
Hoekfrequentie
ω = 2πf
Modulus en hoek
|Z| = √(R² + X²), φ = atan(X/R)
Wet van Ohm met fasoren
V = I·Z

Methode

  1. Reken de frequentie om: ω = 2πf.
  2. Bereken elke reactantie: XL = ωL en XC = 1/(ωC).
  3. Tel impedanties op zoals weerstanden, met Z = R + jX.
  4. Bereken de grootte |Z| = √(R² + X²) en de hoek φ = atan(X/R), en gebruik daarna de wet van Ohm met fasoren.

2Oefenopgaven

1.Wet van Coulomb en elektrische veldenGemiddeld
++2 µC++5 µCP10 cm

Een lading van +2 µC en een lading van +5 µC bevinden zich op 10 cm van elkaar. Punt P ligt op de lijn ertussen, op 6 cm van de eerste lading. Bereken de grootte van de elektrische veldsterkte E in P.

q1 = +2 µCq2 = +5 µCr1 = 6 cmr2 = 4 cm
E = N/C
2.Wet van Coulomb en elektrische veldenMoeilijk
3 cm8 cm+q1​ = +5 µC+q3​ = +10 µC+q2​ = +5 µC

Drie positieve puntladingen bevinden zich op de hoekpunten van een rechthoekige driehoek: q₃ = 10 µC zit in het hoekpunt met de rechte hoek, q₁ = 5 µC zit 3 cm daarvandaan langs de ene rechthoekszijde en q₂ = 5 µC zit 8 cm daarvandaan langs de andere rechthoekszijde. Bereken de grootte van de resulterende elektrische kracht F op q₃.

q1 = 5 µCq2 = 5 µCq3 = 10 µCr13 = 3 cmr23 = 8 cm
F = N
3.Serie- en parallelweerstandenGemiddeld
R1​ = 6 ΩR3​ = 3 Ω+−V1​30 VR2​10 ΩAR4​4 ΩB

Vind de vervangingsweerstand Req die de bron V1 ziet.

V1 = 30 VR1 = 6 ΩR2 = 10 ΩR3 = 3 ΩR4 = 4 Ω
Req = Ω
4.Serie- en parallelweerstandenMoeilijk
R1​ = 10 ΩIR1​R3​ = 30 ΩR5​ = 3 Ω+−V1​9 VR2​10 ΩAR4​10 ΩBR6​5 Ω

Vind de stroom IR1 die de bron levert, en die door R1 loopt.

V1 = 9 VR1 = 10 ΩR2 = 10 ΩR3 = 30 ΩR4 = 10 ΩR5 = 3 ΩR6 = 5 Ω
IR1 = A
5.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
R = 100 Ωt = 0L22 mHi(t)

De spoel voert een constante stroom van 3 A. Op t = 0 sluit de schakelaar de kring via R en wordt de bron verwijderd, zodat de spoelstroom via R uitdooft. Hoe lang duurt het voordat de stroom gedaald is tot 1,5 A? Vind t.

i(0) = 3 AR = 100 ΩL = 22 mH
t = ms
6.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
+−Vs​10 VR1​ = 15 ΩR2​ = 5 Ωopent op t = 0L220 mHi(t)

De schakelaar over R2 is al lang gesloten, dus de spoelstroom is constant. Op t = 0 gaat de schakelaar open. Hoe lang na t = 0 bereikt de spoelstroom 0,6 A? Vind t.

Vs = 10 VR1 = 15 ΩR2 = 5 ΩL = 220 mH
t = ms
7.Magnetische velden & inductieGemiddeld
2 A12 Ad = 4 cmP

Twee lange evenwijdige draden op 4 cm van elkaar voeren stromen van 2 A en 12 A in dezelfde richting. Bepaal de grootte van de magnetische fluxdichtheid B in punt P, precies halverwege tussen de draden.

I1 = 2 AI2 = 12 Ad = 4 cmμ₀ = 4π × 10⁻⁷ T·m/A
B = µT
8.Magnetische velden & inductieMoeilijk
L1​ = 200 mH20 A/sL2​ = 200 mHk = 0,3ε = ?

Twee spoelen met zelfinducties van 200 mH en 200 mH hebben een koppelingscoëfficiënt van 0,3. De stroom in de eerste spoel verandert met 20 A/s. Bepaal de EMK ε die in de tweede spoel wordt geïnduceerd.

L1 = 200 mHL2 = 200 mHk = 0,3di/dt = 20 A/s
ε = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
50 V100 HzR = 15 ΩC = 100 µFI

Een weerstand en een condensator zijn parallel aangesloten op een voeding van 50 V (rms), 100 Hz. Vind de effectieve stroom I.

V = 50 V (rms)f = 100 HzR = 15 ΩC = 100 µF
I = A
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
230 V200 HzR = 40 ΩL = 150 mHC = 4,7 µFI

Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 230 V (rms), 200 Hz. Vind de effectieve stroom I.

V = 230 V (rms)f = 200 HzR = 40 ΩL = 150 mHC = 4,7 µF
I = A

3Oplossingen

1.Wet van Coulomb en elektrische velden

Antwoord: E = 2,31 × 10⁷ N/C

Wet van Coulomb: twee puntladingen trekken elkaar aan of stoten elkaar af met F = k·|q₁·q₂|/r², met k = 8,99 × 10⁹ N·m²/C². Het veld van een puntlading is E = k·|q|/r², gericht van een positieve lading af en naar een negatieve lading toe. Krachten en velden van meerdere ladingen tel je op als vectoren.

Veld van elke lading

E1 = k·2 × 10⁻⁶/0,06² = 4,994 × 10⁶ N/C
E2 = k·5 × 10⁻⁶/0,04² = 2,809 × 10⁷ N/C

Richtingen en som

Beide ladingen zijn positief: in P wijzen hun velden van de eigen lading af, dus in tegengestelde richting.

E = |4,994 × 10⁶ − 2,809 × 10⁷| = 2,31 × 10⁷ N/C

Antwoord

E = 2,31 × 10⁷ N/C
2.Wet van Coulomb en elektrische velden

Antwoord: F = 504,4 N

Wet van Coulomb: twee puntladingen trekken elkaar aan of stoten elkaar af met F = k·|q₁·q₂|/r², met k = 8,99 × 10⁹ N·m²/C². Het veld van een puntlading is E = k·|q|/r², gericht van een positieve lading af en naar een negatieve lading toe. Krachten en velden van meerdere ladingen tel je op als vectoren.

Elke kracht op q₃

F1 = k·5·10 × 10⁻¹²/0,03² = 499,4 N
F2 = k·5·10 × 10⁻¹²/0,08² = 70,23 N

Vectorsom

F = √(499,4² + 70,23²) = 504,4 N

Antwoord

F = 504,4 N
3.Serie- en parallelweerstanden

Antwoord: Req = 10,12 Ω

Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.

R1​ = 6 ΩR3​ = 3 Ω+−V1​30 VR2​10 ΩAR4​4 ΩB

Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde

Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.

R3 + R4 = 3 + 4 = 7 Ω
R2 ∥ 7 = 10·7/(10+7) = 4,118 Ω
Req = R1 + 4,118 = 6 + 4,118 = 10,12 Ω

Antwoord

Req = 10,12 Ω
4.Serie- en parallelweerstanden

Antwoord: IR1 = 0,507 A

Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.

R1​ = 10 ΩR3​ = 30 ΩR5​ = 3 Ω+−V1​9 VR2​10 ΩAR4​10 ΩBR6​5 Ω

Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde

Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.

R5 + R6 = 3 + 5 = 8 Ω
R4 ∥ 8 = 4,444 Ω
R3 + 4,444 = 34,44 Ω
R2 ∥ 34,44 = 7,75 Ω
Req = R1 + 7,75 = 10 + 7,75 = 17,75 Ω

Stroom uit de bron

De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.

IR1 = V1/Req = 9/17,75 = 0,507 A

Antwoord

IR1 = 0,507 A
5.RC- en RL-schakelverschijnselen

Antwoord: t = 0,1525 ms

Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.

Tijdconstante

τ = L/R = 22 mH / 100 Ω = 0,22 ms

Los op naar de tijd

1,5 = 3·e−t/τ → t = τ·ln(3/1,5)
t = 0,22·ln(2) = 0,1525 ms

Antwoord

t = 0,1525 ms
6.RC- en RL-schakelverschijnselen

Antwoord: t = 5,619 ms

Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.

Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante

Vóór t = 0 overbrugt de gesloten schakelaar R₂; daarna zitten R₁ en R₂ allebei in de kring.

i(0) = 10/15 = 0,6667 A
i(∞) = 10/(15 + 5) = 0,5 A
τ = L/R = 220/20 = 11 ms
i(t) = 0,5 + (0,6667 − 0,5)·e−t/τ

Los op naar de tijd

e−t/τ = (0,6 − 0,5)/(0,6667 − 0,5) = 0,6
t = 11·ln(1,667) = 5,619 ms

Antwoord

t = 5,619 ms
7.Magnetische velden & inductie

Antwoord: B = 100 µT

Magnetisch veld van stromen: rond een lange rechte draad zijn de veldlijnen cirkels (rechterhandgreepregel) met B = μ₀I/(2πr). In het midden van een platte cirkelvormige spoel met N windingen is B = μ₀NI/(2R). In een lange solenoïde is het veld homogeen, B = μ₀nI met n = N/L windingen per meter, ongeacht de straal. μ₀ = 4π × 10⁻⁷ T·m/A. Werk in SI-eenheden (meters en ampère) en tel de velden van meerdere bronnen op als vectoren.

Veld van elke draad in P

B1 = 2 × 10⁻⁷·2/0,02 = 20 µT
B2 = 2 × 10⁻⁷·12/0,02 = 120 µT

Combineer

B = |B₁ − B₂| = 100 µT

Antwoord

B = 100 µT
8.Magnetische velden & inductie

Antwoord: ε = 1,2 V

Elektromagnetische inductie: de flux door een lus is Φ = BA·cos θ, met θ tussen B en de normaal van de lus. Wet van Faraday: een fluxverandering induceert EMK = −N·dΦ/dt in een spoel met N windingen, en de wet van Lenz zegt dat de geïnduceerde stroom zo loopt dat zijn eigen veld de verandering tegenwerkt. Een staaf die dwars door een veld beweegt geeft EMK = BLv. Een spoel die met ω draait geeft e = NBAω·sin ωt, met piekwaarde NBAω. Zelfinductie: EMK = −L·di/dt, met L = μ₀N²A/l voor een lange solenoïde, en de opgeslagen energie is W = ½LI². Twee gekoppelde spoelen: EMK₂ = −M·di₁/dt met M = k√(L₁L₂).

Wederzijdse inductie

M = 0,3·√(200·200) = 60 mH

Geïnduceerde EMK

ε = M·di/dt = 0,06·20 = 1,2 V

Antwoord

ε = 1,2 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren

Antwoord: I = 4,58 A

Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.

Reactantie

XC = 1/(ωC) = 1/(2π·100·100·10⁻⁶) = 15,92 Ω

Takstromen

Beide takken zijn rechtstreeks op de voeding aangesloten, dus elke tak krijgt de volle spanning V.

IR = V/R = 50/15 = 3,333 A
IX = V/XC = 50/15,92 = 3,142 A

Totale stroom

De stroom door de weerstand is in fase met V en de reactieve stroom is 90° uit fase, dus ze tellen op als de zijden van een rechthoekige driehoek.

I = √(IR² + IX²) = √(3,333² + 3,142²) = 4,58 A

Antwoord

I = 4,58 A
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren

Antwoord: I = 5,185 A

Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.

Reactanties

ω = 2πf = 2π·200 = 1257 rad/s
XL = ωL = 1257·0,15 = 188,5 Ω
XC = 1/(ωC) = 1/(1257·4,7·10⁻⁶) = 169,3 Ω

Impedantie

In serie tellen impedanties op als complexe getallen: Z = R + j(XL − XC).

|Z| = √(R² + (XL − XC)²) = √(40² + (19,18)²) = 44,36 Ω

Stroom

Door elk element van een serieschakeling loopt dezelfde stroom.

I = V/|Z| = 230/44,36 = 5,185 A

Antwoord

I = 5,185 A

ExamProblems · examproblems.com/courses/physics-2-electricity-and-magnetism