Onderzoeksmethoden en statistiek voor psychologie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 16 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

Betrouwbaarheidsintervallen

σ bekend
x̄ ± z·σ/√n
σ onbekend
x̄ ± t·s/√n, df = n − 1
Kritieke z
90%: 1,645, 95%: 1,96, 99%: 2,576
Steekproefomvang
n = (z·σ/E)², rounded up

Methode

  1. Kies tussen z (σ van de populatie bekend) en t (alleen de steekproef-s, met n − 1 vrijheidsgraden).
  2. Zoek de kritieke waarde bij het betrouwbaarheidsniveau.
  3. Foutmarge: E = kritieke waarde × standaardafwijking/√n.
  4. Interval: x̄ ± E.

Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

z-toets voor een gemiddelde
z = (x̄ − μ0)/(σ/√n)
t-toets voor een gemiddelde
t = (x̄ − μ0)/(s/√n), df = n − 1
Tweezijdig bij 5%
verwerp H0 als |z| > 1,96
Betrouwbaarheidsinterval
x̄ ± z·σ/√n

Methode

  1. Formuleer H₀ en H₁ en bepaal of de toets een- of tweezijdig is.
  2. Bereken de toetsingsgrootheid: (x̄ − μ₀)/(σ/√n), of met s en t.
  3. Vergelijk met de kritieke waarde, of bepaal de p-waarde.
  4. Verwerp H₀ als de toetsingsgrootheid voorbij de kritieke waarde ligt (p kleiner dan α), en formuleer de conclusie in woorden.

Lineaire regressie en correlatie

Kwadratensommen
Sxx = Σ(x − x̄)² = Σx² − (Σx)²/n, Sxy = Σxy − ΣxΣy/n
Helling
b = Sxy/Sxx
Snijpunt met de y-as
a = ȳ − b·x̄
Correlatie
r = Sxy/√(SxxSyy)
Residu
e = y − ŷ

Chikwadraattoetsen

Toetsingsgrootheid
χ² = Σ(O − E)²/E
Aanpassingstoets
E = n·p, df = k − 1 − (estimated parameters)
Onafhankelijkheid
E = row total × column total / grand total, df = (r − 1)(c − 1)
Kritieke waarden (α = 0,05)
df 1: 3,841, 2: 5,991, 3: 7,815, 4: 9,488
Beslissing
verwerp H0 als χ² > χ²crit

2Oefenopgaven

1.Onderzoeksmethoden in de psychologieGemiddeld

Een onderzoeker onderzoekt het effect van gender op geheugenscores. Waarom is dit een quasi-experiment en geen echt experiment?

  1. AHet onderzoek vindt plaats in een laboratorium
  2. BEr zijn maar twee condities en een echt experiment heeft minstens drie niveaus van de OV nodig
  3. CDe OV is een al bestaand kenmerk, dus deelnemers kunnen er niet aselect aan worden toegewezen
  4. DDe AV wordt niet gemeten
2.Onderzoeksmethoden in de psychologieMoeilijk

Een deelnemer krijgt een medicijn of een suikerpil maar weet niet welke, terwijl de onderzoeker het wel weet. Welk design is dit en welke bias blijft mogelijk?

  1. AOpen trial; placebo-effecten worden volledig gecontroleerd
  2. BDubbelblind; geen enkele bias is mogelijk
  3. CEnkelblind; vraagkenmerken zijn onmogelijk
  4. DEnkelblind; proefleiderbias is nog steeds mogelijk
3.Beschrijvende statistiekGemiddeld
253035404550

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 47, 21, 38, 25, 38, 50.

n = 6
s =
4.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Een grootheid is normaal verdeeld met gemiddelde 170 en standaardafwijking 20. Welk deel P van de waarden ligt onder 190?

μ = 170σ = 20x = 190
P =
5.KansrekeningGemiddeld
xp(x)100,25200,2300,35400,2μ = 25

Bepaal voor de getoonde verdeling de variantie Var(X) van X.

x: 10, 20, 30, 40p(x): 0,25, 0,2, 0,35, 0,2
Var(X) =
6.KansrekeningMoeilijk
n = 6, p = 0,25: P(X = 3) = ?k0123456

Een toets heeft 6 meerkeuzevragen. Een student die gokt, heeft elke vraag onafhankelijk goed met kans 0,25. Wat is de kans P op precies 3 goede antwoorden?

n = 6p = 0,25k = 3
P =
7.Normale verdelingGemiddeld
82130,75P = ?

De IQ-scores zijn normaal verdeeld met gemiddelde 100 punten en standaardafwijking 15 punten. Welk deel ligt tussen 82 en 130,75 punten? Geef P als decimaal getal.

μ = 100σ = 15x1 = 82x2 = 130,75
P =
8.Normale verdelingMoeilijk
157164171178185192199cmboven 80%

De lengtes van volwassen mannen zijn normaal verdeeld met gemiddelde 178 cm en standaardafwijking 7 cm. Sleep de grenswaarde zo dat de gearceerde bovenste 80% rechts ervan ligt. Bepaal de grenswaarde x.

μ = 178 cmσ = 7 cm80%
x = cm
9.BetrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
x̄E₁ = 795%, n = 100x̄E₂ = ?95%, n = 900

Een 95%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde, gebaseerd op 100 waarnemingen en een bekende σ, heeft een foutmarge van 7. Wat is de foutmarge E₂ als hetzelfde onderzoek in plaats daarvan 900 waarnemingen gebruikt?

95%n₁ = 100E₁ = 7n₂ = 900
E₂ =
10.BetrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
σ = 39, n = ?x̄ − Ex̄ + Ex̄E = 495%

De standaardafwijking van de populatie is 39. Hoe groot moet de steekproef n zijn zodat een 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde een foutmarge van hoogstens 4 heeft?

σ = 39E = 495%
n =
11.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
t −2,0302,03

Een steekproef van 36 studenten heeft een gemiddelde score van 94,8 en een steekproefstandaardafwijking van 12. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 100.

μ₀ = 100x̄ = 94,8s = 12n = 36
t =
12.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
−1,961,96z = ?

In een onderzoek herstellen 35 van de 100 patiënten met behandeling A en 87 van de 300 patiënten met behandeling B. Bereken met de gepoolde fractie de toetsingsgrootheid z voor H₀: p₁ = p₂.

x₁ = 35n₁ = 100x₂ = 87n₂ = 300
z =
13.Lineaire regressie en correlatieGemiddeld
xy24244766186310731287xy510406080

De tabel geeft 6 gepaarde waarnemingen van x = advertentie-uitgaven in k€ en y = verkoop in k€. Bereken de correlatiecoëfficiënt van Pearson r.

n = 6
r =
14.Lineaire regressie en correlatieMoeilijk
xy33954674995311631368xy51040506070x = 10

De tabel geeft 6 gepaarde waarnemingen van x = advertentie-uitgaven in k€ en y = verkoop in k€. Gebruik de kleinstekwadratenlijn ŷ = a + b·x. Er wordt een nieuwe waarneming (10, 55) gedaan. Bereken het residu e = y − ŷ.

n = 6(10, 55)
e =
15.ChikwadraattoetsenGemiddeld
busfietsautoTotaalstudenten15252060personeel9292260Totaal245442120

De kruistabel toont waargenomen aantallen. Bereken de chikwadraatgrootheid χ² voor de toets op onafhankelijkheid tussen de rij- en kolomvariabele. Gebruik geen continuïteitscorrectie.

N = 1202 × 3
χ² =
16.ChikwadraattoetsenMoeilijk
dfα = 0,05α = 0,0113,8416,63525,9919,21037,81511,34549,48813,277511,07015,086612,59216,812714,06718,475815,50720,090916,91921,6661018,30723,209

Een chikwadraat-aanpassingstoets vergelijkt waargenomen aantallen in 3 categorieën met volledig gespecificeerde verwachte verhoudingen (er worden geen parameters uit de data geschat). Zoek met de tabel de kritieke waarde χ²crit bij significantieniveau α = 0,05.

α = 0,05
χ²crit =

3Oplossingen

1.Onderzoeksmethoden in de psychologie

Antwoord: C · De OV is een al bestaand kenmerk, dus deelnemers kunnen er niet aselect aan worden toegewezen

Waarom dit het antwoord is

In een quasi-experiment is de OV een natuurlijk voorkomend verschil tussen mensen. Zonder aselecte toewijzing kunnen andere verschillen tussen groepen de resultaten verstoren.

Antwoord

C · De OV is een al bestaand kenmerk, dus deelnemers kunnen er niet aselect aan worden toegewezen
2.Onderzoeksmethoden in de psychologie

Antwoord: D · Enkelblind; proefleiderbias is nog steeds mogelijk

Waarom dit het antwoord is

In een enkelblind design kennen deelnemers hun conditie niet, wat placeboverwachtingen controleert. De kennis van de onderzoeker kan de resultaten nog beïnvloeden, daarom gaat de voorkeur uit naar dubbelblinde designs.

Antwoord

D · Enkelblind; proefleiderbias is nog steeds mogelijk
3.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 11,57

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 219/6 = 36,5

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = 10,5² + (−15,5)² + 1,5² + (−11,5)² + 1,5² + 13,5² = 669,5

Standaardafwijking

s = √(669,5/5) = 11,57

Antwoord

s = 11,57
4.Beschrijvende statistiek

Antwoord: P = 0,8413

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = 1

Tabel standaardnormale verdeling

Φ(1) = 0,8413
P = 0,8413

Antwoord

P = 0,8413
5.Kansrekening

Antwoord: Var(X) = 115

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Gemiddelde

μ = 10·0,25 + 20·0,2 + 30·0,35 + 40·0,2 = 25

Gemiddelde van de kwadraten

E(X²) = 100·0,25 + 400·0,2 + 900·0,35 + 1600·0,2 = 740

Variantie

Var(X) = 740 − 25² = 115

Antwoord

Var(X) = 115
6.Kansrekening

Antwoord: P = 0,1318

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Binomiale formule

P(X = 3) = 20·0,253·0,753 = 20·0,01563·0,4219 = 0,1318

Antwoord

P = 0,1318
7.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,8647

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z-scores

z₁ = (82 − 100)/15 = −1,2
z₂ = (130,75 − 100)/15 = 2,05

Oppervlakte ertussen

P = Φ(2,05) − Φ(−1,2) = 0,9798 − 0,1151 = 0,8647

Antwoord

P = 0,8647
8.Normale verdeling

Antwoord: x = 172,1 cm

Van een oppervlak terug naar z: Φ(z) is het oppervlak links van z. Zoek voor een linkerstaartoppervlak A de z met Φ(z) = A in de tabel. Een rechterstaartoppervlak A betekent Φ(z) = 1 − A. Een centraal oppervlak A tussen −z en z laat (1 − A)/2 in elke staart over, dus Φ(z) = (1 + A)/2. Gebruik voor een waarde x de formule x = μ + zσ.

Oppervlak links

Φ(z) = 0,2

z uit de tabel

z ≈ −0,84

Terug naar de oorspronkelijke eenheden

x = 178 − 0,84·7 = 172,1 cm

Antwoord

x = 172,1 cm
9.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: E₂ = 2,333

Confidence interval for a mean: x̄ ± margin of error. With a known population σ the margin is z·σ/√n; with only the sample standard deviation s, use t with n − 1 degrees of freedom: t·s/√n. Critical values: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). To get a margin E or smaller, you need n ≥ (z·σ/E)², rounded up.

Verhouding van de marges

E₂/E₁ = (1,96/1,96)·√(100/900) = 0,3333

Nieuwe marge

E₂ = 7·0,3333 = 2,333

Antwoord

E₂ = 2,333
10.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 366

Betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde: x̄ ± foutmarge. Met een bekende populatie-σ is de marge z·σ/√n; heb je alleen de steekproefstandaardafwijking s, gebruik dan t met n − 1 vrijheidsgraden: t·s/√n. Kritieke waarden: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). Voor een marge van E of kleiner heb je n ≥ (z·σ/E)² nodig, naar boven afgerond.

n oplossen

n = (1,96·39/4)² = 365,2

Naar boven afronden

Een steekproefomvang is een geheel getal, en naar beneden afronden zou de marge te groot maken.

n = 366

Antwoord

n = 366
11.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: t = −2,6

Toetsen van een gemiddelde: de toetsingsgrootheid meet hoeveel standaardfouten het steekproefgemiddelde van de waarde in H₀ af ligt: z = (x̄ − μ₀)/(σ/√n) als σ bekend is, t = (x̄ − μ₀)/(s/√n) als die uit de steekproef wordt geschat. Een betrouwbaarheidsinterval is x̄ ± (kritieke waarde)·(standaardfout).

Standaardfout

SE = 12/√36 = 12/6 = 2

Toetsingsgrootheid

t = (94,8 − 100)/2 = −2,6

Antwoord

t = −2,6
t0,025; df = 35 = 2,03

|t| > 2,03, dus H₀ wordt verworpen op het 5%-niveau (tweezijdig).

12.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: z = 1,129

Hypothesis test: the test statistic = (estimate − value under H₀)/(standard error under H₀). The p-value is the probability, assuming H₀ is true, of a statistic at least as extreme as the one observed: the area in one tail for a one-sided H₁, twice the tail area for a two-sided H₁. Reject H₀ when p ≤ α.

Steekproeffracties

p̂₁ = 35/100 = 0,35
p̂₂ = 87/300 = 0,29
p̂ = 122/400 = 0,305

Standaardfout onder H₀

SE = √(0,305·0,695·(1/100 + 1/300)) = 0,05316

Toetsingsgrootheid

z = (0,35 − 0,29)/0,05316 = 1,129

Antwoord

z = 1,129

|z| < 1.96, dus H₀ wordt niet verworpen op het 5%-niveau (tweezijdig).

13.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: r = 0,9839

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 42/6 = 7
ȳ = 373/6 = 62,17

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 70
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 305
Syy = Σ(y − ȳ)² = 1373

Correlatiecoëfficiënt

r = 305/√(70·1373) = 0,9839

Antwoord

r = 0,9839
14.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: e = −3,714

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 48/6 = 8
ȳ = 318/6 = 53

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 70
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 200

Regressielijn

b = 200/70 = 2,857
a = 53 − 2,857·8 = 30,14
ŷ = 30,14 + 2,857·x

Voorspelde waarde

ŷ = 30,14 + 2,857·10 = 58,71

Residu

e = 55 − 58,71 = −3,714

Antwoord

e = −3,714

Het punt ligt onder de lijn.

15.Chikwadraattoetsen

Antwoord: χ² = 1,892

Chikwadraattoetsen: vergelijk waargenomen aantallen O met de onder H₀ verwachte aantallen E met χ² = Σ(O − E)²/E. Aanpassingstoets: E = n·p voor elke categorie, df = k − 1 (en nog één minder voor elke parameter die uit de data is geschat). Onafhankelijkheid in een r × c-tabel: E = rijtotaal × kolomtotaal / totaal, df = (r − 1)(c − 1). Verwerp H₀ als χ² groter is dan de kritieke waarde bij de gekozen α.

Verwachte aantallen

studenten: 60·24/120 = 12, 60·54/120 = 27, 60·42/120 = 21
personeel: 60·24/120 = 12, 60·54/120 = 27, 60·42/120 = 21

Chikwadraatgrootheid

χ² = (15 − 12)²/12 + (25 − 27)²/27 + (20 − 21)²/21 + (9 − 12)²/12 + (29 − 27)²/27 + (22 − 21)²/21
χ² = 1,892

Antwoord

χ² = 1,892

df = 2. Bij α = 0,05 is de kritieke waarde 5,991, dus H₀ (onafhankelijkheid) wordt niet verworpen.

16.Chikwadraattoetsen

Antwoord: χ²crit = 5,991

Chikwadraattoetsen: vergelijk waargenomen aantallen O met de onder H₀ verwachte aantallen E met χ² = Σ(O − E)²/E. Aanpassingstoets: E = n·p voor elke categorie, df = k − 1 (en nog één minder voor elke parameter die uit de data is geschat). Onafhankelijkheid in een r × c-tabel: E = rijtotaal × kolomtotaal / totaal, df = (r − 1)(c − 1). Verwerp H₀ als χ² groter is dan de kritieke waarde bij de gekozen α.

Vrijheidsgraden

df = 3 − 1 = 2

Tabel

χ²crit(df = 2, α = 0,05) = 5,991

Antwoord

χ²crit = 5,991

Verwerp H₀ als de berekende χ² groter is dan deze waarde.

ExamProblems · examproblems.com/courses/research-methods-psychology