Aan 300 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) wordt 44 kJ warmte toegevoerd. Bereken de temperatuurstijging ΔT.
Werkblad Calorimetrie en enthalpie met antwoorden
Hoeveel warmte q is nodig om 200 g water te verwarmen van 29 °C tot 95 °C? De soortelijke warmte van water is 4,18 J/(g·°C). Geef het antwoord in kJ.
Een blok zink van 100 g (c = 0,388 J/(g·°C)) met een temperatuur van 90 °C wordt in een geïsoleerde beker met 200 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) van 22 °C gelegd. Bereken de eindtemperatuur Tf.
Een blok ijzer van 75 g (c = 0,449 J/(g·°C)) met een temperatuur van 170 °C wordt in een geïsoleerde beker met 300 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) van 16 °C gelegd. Bereken de eindtemperatuur Tf.
Gebruik de standaardvormingsenthalpieën om ΔH° te berekenen voor de reactie C2H5OH + 3O₂ → 2CO₂ + 3H₂O(l).
Gebruik de standaardvormingsenthalpieën om de warmte q te berekenen die vrijkomt als 250 g C4H10 (M = 58,12 g/mol) volledig verbrandt: 2C4H10 + 13O₂ → 8CO₂ + 10H₂O(l). Geef q als positief getal.
Antwoordenblad
- 1. ΔT = 35,09 °C
- 2. q = 55,18 kJ
- 3. Tf = 25,02 °C
- 4. Tf = 20,03 °C
- 5. ΔH° = −1367 kJ
- 6. q = 12377 kJ
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.