1.Makkelijk
Het celmembraan bestaat vooral uit:
- AEen dubbele laag fosfolipiden met eiwitten
- BZetmeel
- CCellulose
- DDNA
2.Makkelijk
Welke base paart in DNA met adenine?
- AGuanine
- BUracil
- CCytosine
- DThymine
3.Makkelijk
Wat levert meiose op uit één diploïde cel?
- AVier genetisch verschillende haploïde cellen
- BTwee genetisch verschillende diploïde cellen
- CTwee genetisch identieke diploïde cellen
- DVier genetisch identieke haploïde cellen
4.Gemiddeld
Wat is crossing-over tijdens de meiose?
- AUitwisseling van erfelijk materiaal tussen homologe chromosomen in profase I
- BKopiëren van DNA vóór de deling
- CScheiding van zusterchromatiden terwijl ze in anafase II naar tegenovergestelde polen bewegen
- DVersmelting van twee geslachtscellen
5.Gemiddeld
Hoe werken steroïdhormonen zoals cortisol vooral op hun doelcellen?
- AZe binden aan een membraanreceptor en openen ionkanalen, waardoor het membraanpotentiaal van de cel verandert
- BZe worden door fagocytose opgenomen en verteerd
- CZe activeren adenylaatcyclase vanaf de buitenkant van de cel
- DZe gaan door het membraan en binden aan intracellulaire receptoren die de gentranscriptie veranderen
6.Gemiddeld
In welke richting voegen DNA- en RNA-polymerasen nieuwe nucleotiden toe?
- AVan 3′ naar 5′
- BVanaf het centromeer naar buiten
- CIn beide richtingen evenveel
- DVan 5′ naar 3′
7.Moeilijk
Waarom heet DNA-replicatie semiconservatief?
- AElke nieuwe dubbele helix bevat één oude en één nieuwe streng
- BHet nieuwe DNA is helemaal nieuw
- CMutaties blijven na elke deling in de helft van de dochtercellen bewaard
- DSlechts de helft van het DNA wordt gekopieerd
8.Moeilijk
In het experiment van Meselson en Stahl werden bacteriën die in ¹⁵N waren gekweekt, overgebracht naar ¹⁴N. Na één replicatieronde vormde al het DNA één band met een tussenliggende dichtheid. Welk model werd hiermee uitgesloten?
- AHet dispersieve model
- BHet conservatieve model
- CHet semiconservatieve model
- DZowel het semiconservatieve als het dispersieve model
Antwoordenblad
- 1. A · Een dubbele laag fosfolipiden met eiwitten
- 2. D · Thymine
- 3. A · Vier genetisch verschillende haploïde cellen
- 4. A · Uitwisseling van erfelijk materiaal tussen homologe chromosomen in profase I
- 5. D · Ze gaan door het membraan en binden aan intracellulaire receptoren die de gentranscriptie veranderen
- 6. D · Van 5′ naar 3′
- 7. A · Elke nieuwe dubbele helix bevat één oude en één nieuwe streng
- 8. B · Het conservatieve model
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.