Werkblad Economische begrippen met antwoorden

Gratis printbaar werkblad Economische begrippen: 8 opgaven van makkelijk tot tentamenniveau, met antwoordenblad. Print het of sla het op als pdf.

Nieuw werkbladOnline oefenen met hints

Voor docenten: gratis te printen, kopiëren en in de les te gebruiken. Elk nieuw werkblad heeft nieuwe waarden en een eigen antwoordblad. Een link naar ExamProblems op je cursuspagina wordt gewaardeerd.

Naam: ____________________   Datum: ____________

1.Makkelijk

Welke lijst geeft de vier traditionele productiefactoren?

  1. AGeld, arbeid, aandelen en grond
  2. BAanbod, vraag, prijs en hoeveelheid
  3. CLoon, pacht, rente en winst
  4. DNatuur (grond), arbeid, kapitaal en ondernemerschap
2.Makkelijk

Een gangbare vuistregel definieert een recessie als:

  1. ATwee opeenvolgende kwartalen met een dalend reëel bbp
  2. BEen daling van de aandelenmarkt met 10%
  3. CEen jaar met een inflatie boven 5%
  4. DElke maand met stijgende werkloosheid
3.Makkelijk

Als het aanbod stijgt terwijl de vraag gelijk blijft, zal de evenwichtsprijs meestal:

  1. ANul worden
  2. BDalen
  3. CPrecies gelijk blijven
  4. DStijgen
4.Gemiddeld

Als de ECB haar belangrijkste rente verhoogt, is het meest waarschijnlijke effect op korte termijn:

  1. AEen daling van de waarde van de euro
  2. BMeer lenen en uitgeven, wat de inflatiedruk vergroot
  3. CMinder lenen en uitgeven, waardoor de inflatiedruk afneemt
  4. DEen directe stijging van het bbp
5.Gemiddeld

In land A kost de productie van 1 auto 2 ton tarwe; in land B kost 1 auto 4 ton tarwe. Welke uitspraak is juist?

  1. AA heeft een comparatief voordeel in auto's en B in tarwe
  2. BGeen van beide landen wint bij handel
  3. CB heeft een comparatief voordeel in auto's en A in tarwe
  4. DA heeft een comparatief voordeel in beide goederen
6.Gemiddeld

De benzineprijs stijgt sterk. Wat gebeurt er met de vraaglijn naar grote auto's?

  1. AEr is een beweging langs de lijn
  2. BZe wordt verticaal
  3. CZe verschuift naar links
  4. DZe verschuift naar rechts
7.Moeilijk

De Phillipscurve suggereerde oorspronkelijk:

  1. AEen afruil op korte termijn tussen inflatie en werkloosheid
  2. BDat hogere belastingen de inflatie altijd verlagen
  3. CDat inflatie en werkloosheid op korte termijn altijd samen stijgen en dalen
  4. DDat werkloosheid niets met inflatie te maken heeft
8.Moeilijk

In het groeimodel van Solow komt blijvende langetermijngroei van de productie per werknemer voort uit:

  1. ABevolkingsgroei
  2. BBegrotingstekorten van de overheid
  3. CAlleen een hogere spaarquote
  4. DTechnologische vooruitgang

Antwoordenblad

  1. 1. D · Natuur (grond), arbeid, kapitaal en ondernemerschap
  2. 2. A · Twee opeenvolgende kwartalen met een dalend reëel bbp
  3. 3. B · Dalen
  4. 4. C · Minder lenen en uitgeven, waardoor de inflatiedruk afneemt
  5. 5. A · A heeft een comparatief voordeel in auto's en B in tarwe
  6. 6. C · Ze verschuift naar links
  7. 7. A · Een afruil op korte termijn tussen inflatie en werkloosheid
  8. 8. D · Technologische vooruitgang

Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.