1.Makkelijk
Twee goederen zijn substituten als:
- AZe altijd samen worden geconsumeerd
- BZe door hetzelfde bedrijf worden geproduceerd
- CEen inkomensstijging de vraag naar beide goederen tegelijk verlaagt
- DEen prijsstijging van het ene de vraag naar het andere vergroot
2.Makkelijk
De lopende rekening van de betalingsbalans registreert vooral:
- AAankopen en verkopen van buitenlandse bedrijven, aandelen, obligaties en andere activa
- BDe rentebesluiten van de centrale bank
- CVeranderingen in de staatsschuld
- DHandel in goederen en diensten, primaire inkomens en lopende overdrachten
3.Makkelijk
Als het aanbod stijgt terwijl de vraag gelijk blijft, zal de evenwichtsprijs meestal:
- AStijgen
- BPrecies gelijk blijven
- CNul worden
- DDalen
4.Gemiddeld
In een oligopolie zijn bedrijven meestal:
- ATalrijk en te klein om de prijs te beïnvloeden
- BVolledig vrij van mededingingsregels
- CGering in aantal en afhankelijk van elkaars beslissingen
- DEén enkele aanbieder op de markt
5.Gemiddeld
De marginale consumptiequote is:
- ADe rente op consumptief krediet
- BDe totale consumptie in een economie
- CHet deel van een extra euro inkomen dat aan consumptie wordt besteed
- DHet gemiddelde deel van het totale inkomen dat huishoudens over een jaar sparen
6.Gemiddeld
Comparatief voordeel betekent dat een land zich moet specialiseren in goederen die het kan maken:
- AAlleen voor eigen consumptie
- BTegen lagere alternatieve kosten dan andere landen
- CIn absolute zin goedkoper dan elk ander land
- DMet de meeste werknemers
7.Moeilijk
De Marshall-Lernervoorwaarde stelt dat een depreciatie van de munt de handelsbalans verbetert als:
- ADe som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1
- BExport en import een prijselasticiteit van nul hebben
- CDe rente tegelijkertijd stijgt
- DHet land een begrotingsoverschot heeft
8.Moeilijk
Het principaal-agentprobleem ontstaat als:
- AEen agent die voor een principaal handelt andere doelen heeft en de principaal hem niet volledig kan controleren
- BTwee bedrijven afspreken prijzen vast te stellen
- CEen koper en verkoper identieke informatie hebben
- DDe overheid eigenaar is van een bedrijf
Antwoordenblad
- 1. D · Een prijsstijging van het ene de vraag naar het andere vergroot
- 2. D · Handel in goederen en diensten, primaire inkomens en lopende overdrachten
- 3. D · Dalen
- 4. C · Gering in aantal en afhankelijk van elkaars beslissingen
- 5. C · Het deel van een extra euro inkomen dat aan consumptie wordt besteed
- 6. B · Tegen lagere alternatieve kosten dan andere landen
- 7. A · De som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1
- 8. A · Een agent die voor een principaal handelt andere doelen heeft en de principaal hem niet volledig kan controleren
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.