1.Makkelijk
Twee goederen zijn substituten als:
- AZe door hetzelfde bedrijf worden geproduceerd
- BZe altijd samen worden geconsumeerd
- CEen prijsstijging van het ene de vraag naar het andere vergroot
- DEen inkomensstijging de vraag naar beide goederen tegelijk verlaagt
2.Makkelijk
Structurele werkloosheid wordt veroorzaakt door:
- AEen mismatch tussen de vaardigheden of woonplaats van werknemers en de beschikbare banen
- BSeizoensveranderingen in de vraag naar arbeid
- CEen tijdelijke daling van de geaggregeerde vraag
- DDe normale tijd die werknemers nodig hebben om naar een baan te zoeken en van baan te wisselen
3.Makkelijk
Een markt met maar één aanbieder heet:
- AEen monopolie
- BEen monopsonie
- CEen oligopolie
- DVolkomen concurrentie
4.Gemiddeld
Als de ECB haar belangrijkste rente verhoogt, is het meest waarschijnlijke effect op korte termijn:
- AEen daling van de waarde van de euro
- BEen directe stijging van het bbp
- CMinder lenen en uitgeven, waardoor de inflatiedruk afneemt
- DMeer lenen en uitgeven, wat de inflatiedruk vergroot
5.Gemiddeld
Een collectief goed is:
- ANiet-rivaliserend en niet-uitsluitbaar
- BElk goed dat de overheid koopt
- CRivaliserend en uitsluitbaar
- DAlleen geleverd door private bedrijven
6.Gemiddeld
In land A kost de productie van 1 auto 2 ton tarwe; in land B kost 1 auto 4 ton tarwe. Welke uitspraak is juist?
- AB heeft een comparatief voordeel in auto's en A in tarwe
- BA heeft een comparatief voordeel in auto's en B in tarwe
- CGeen van beide landen wint bij handel
- DA heeft een comparatief voordeel in beide goederen
7.Moeilijk
Volgens de "70-regel" verdubbelt een economie die met 7% per jaar groeit haar reële bbp in ongeveer:
- A7 jaar
- B70 jaar
- C10 jaar
- D49 jaar
8.Moeilijk
Een welvaartsverlies (deadweight loss) is:
- ADe belastingopbrengst van de overheid
- BHet verlies aan totaal surplus als de productie afwijkt van het efficiënte niveau
- CDe winst van een monopolist
- DDe verliezen van bedrijven die op lange termijn gedwongen de markt verlaten
Antwoordenblad
- 1. C · Een prijsstijging van het ene de vraag naar het andere vergroot
- 2. A · Een mismatch tussen de vaardigheden of woonplaats van werknemers en de beschikbare banen
- 3. A · Een monopolie
- 4. C · Minder lenen en uitgeven, waardoor de inflatiedruk afneemt
- 5. A · Niet-rivaliserend en niet-uitsluitbaar
- 6. B · A heeft een comparatief voordeel in auto's en B in tarwe
- 7. C · 10 jaar
- 8. B · Het verlies aan totaal surplus als de productie afwijkt van het efficiënte niveau
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.