1.Makkelijk
Volgens de wet van de vraag geldt, als de prijs van een normaal goed stijgt (ceteris paribus):
- ADe gevraagde hoeveelheid daalt
- BDe gevraagde hoeveelheid stijgt
- CDe vraaglijn verschuift naar rechts
- DHet aanbod daalt
2.Makkelijk
Werkloosheid doordat mensen van baan wisselen heet:
- AConjuncturele werkloosheid
- BSeizoenswerkloosheid
- CFrictiewerkloosheid
- DStructurele werkloosheid
3.Makkelijk
Het reële bbp verschilt van het nominale bbp omdat het reële bbp:
- AOverheidsbestedingen buiten beschouwing laat
- BGecorrigeerd is voor veranderingen in het prijsniveau
- CAlleen goederen omvat, geen diensten
- DIn een buitenlandse valuta wordt gemeten
4.Gemiddeld
Zowel het aanbod van als de vraag naar een goed nemen toe. Wat kunnen we met zekerheid zeggen over het nieuwe evenwicht?
- AZowel prijs als hoeveelheid stijgen
- BZowel prijs als hoeveelheid dalen
- CDe prijs stijgt, maar de verandering van de hoeveelheid is onzeker
- DDe hoeveelheid stijgt, maar de prijsverandering is onzeker
5.Gemiddeld
Onderwijs levert de samenleving voordelen op die verder gaan dan de individuele student. Zonder ingrijpen zal de markt waarschijnlijk:
- APrecies de efficiënte hoeveelheid onderwijs aanbieden, omdat prijzen alle baten weerspiegelen
- BHelemaal stoppen met het aanbieden van onderwijs
- CTe veel onderwijs aanbieden in vergelijking met het maatschappelijk optimum
- DTe weinig onderwijs aanbieden in vergelijking met het maatschappelijk optimum
6.Gemiddeld
In land A kost de productie van 1 auto 2 ton tarwe; in land B kost 1 auto 4 ton tarwe. Welke uitspraak is juist?
- AA heeft een comparatief voordeel in beide goederen
- BGeen van beide landen wint bij handel
- CB heeft een comparatief voordeel in auto's en A in tarwe
- DA heeft een comparatief voordeel in auto's en B in tarwe
7.Moeilijk
In het Mundell-Flemingmodel met volledige kapitaalmobiliteit en een zwevende wisselkoers:
- AZijn beide beleidsvormen even effectief
- BIs begrotingsbeleid effectief, maar monetair beleid grotendeels ineffectief
- CHebben beide beleidsvormen geen effect op de productie
- DIs monetair beleid effectief, maar begrotingsbeleid grotendeels ineffectief
8.Moeilijk
Bij een vaste wisselkoers en vrij kapitaalverkeer:
- AKan een land niet met andere landen handelen
- BKan een land elke gewenste rente vaststellen
- CMoet een land een begrotingsoverschot hebben
- DVerliest een land de controle over een eigen monetair beleid
Antwoordenblad
- 1. A · De gevraagde hoeveelheid daalt
- 2. C · Frictiewerkloosheid
- 3. B · Gecorrigeerd is voor veranderingen in het prijsniveau
- 4. D · De hoeveelheid stijgt, maar de prijsverandering is onzeker
- 5. D · Te weinig onderwijs aanbieden in vergelijking met het maatschappelijk optimum
- 6. D · A heeft een comparatief voordeel in auto's en B in tarwe
- 7. D · Is monetair beleid effectief, maar begrotingsbeleid grotendeels ineffectief
- 8. D · Verliest een land de controle over een eigen monetair beleid
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.