1.Makkelijk
Welke instelling bepaalt het monetair beleid van de eurozone?
- AHet Europees Parlement
- BDe nationale ministeries van Financiën
- CDe Europese Centrale Bank
- DDe Europese Commissie
2.Makkelijk
Adam Smiths voorbeeld van de speldenfabriek illustreerde de voordelen van:
- AOverheidsregulering
- BVrijhandel tussen landen
- CArbeidsverdeling
- DPrijsbeheersing
3.Makkelijk
Het bbp meet:
- AHet totale vermogen en spaargeld van de inwoners en bedrijven van een land aan het eind van een jaar
- BAlleen de waarde van alle export
- CDe totale marktwaarde van de finale goederen en diensten die in een land in een periode zijn geproduceerd
- DDe rijksbegroting
4.Gemiddeld
De inkomenselasticiteit van de vraag naar een goed is -0,4. Het goed is:
- AEen luxegoed
- BEen complementair goed
- CEen inferieur goed
- DEen normaal primair goed
5.Gemiddeld
Een negatief extern effect ontstaat als:
- AEen bedrijf verlies maakt
- BConsumenten meer voor een product betalen dan het kost om het te produceren
- CEen derde kosten draagt die producent noch consument betaalt
- DDe overheid een product belast
6.Gemiddeld
Op korte termijn moet een bedrijf onder volkomen concurrentie de productie stilleggen als de marktprijs lager is dan:
- ADe gemiddelde variabele kosten
- BDe marginale opbrengst
- CDe gemiddelde vaste kosten
- DDe gemiddelde totale kosten
7.Moeilijk
In het groeimodel van Solow komt blijvende langetermijngroei van de productie per werknemer voort uit:
- AAlleen een hogere spaarquote
- BBevolkingsgroei
- CTechnologische vooruitgang
- DBegrotingstekorten van de overheid
8.Moeilijk
De Phillipscurve suggereerde oorspronkelijk:
- ADat werkloosheid niets met inflatie te maken heeft
- BDat hogere belastingen de inflatie altijd verlagen
- CEen afruil op korte termijn tussen inflatie en werkloosheid
- DDat inflatie en werkloosheid op korte termijn altijd samen stijgen en dalen
Antwoordenblad
- 1. C · De Europese Centrale Bank
- 2. C · Arbeidsverdeling
- 3. C · De totale marktwaarde van de finale goederen en diensten die in een land in een periode zijn geproduceerd
- 4. C · Een inferieur goed
- 5. C · Een derde kosten draagt die producent noch consument betaalt
- 6. A · De gemiddelde variabele kosten
- 7. C · Technologische vooruitgang
- 8. C · Een afruil op korte termijn tussen inflatie en werkloosheid
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.