1.Makkelijk
In de economie is de korte termijn een periode waarin:
- AHet bedrijf verlies moet maken
- BPrijzen niet kunnen veranderen
- CAlle productiefactoren kunnen worden aangepast
- DTen minste één productiefactor vastligt
2.Makkelijk
Wat zijn alternatieve kosten (opportuniteitskosten)?
- ADe prijs van een product in de uitverkoop
- BDe waarde van het beste alternatief dat je opgeeft bij een keuze
- CDe kosten van het starten van een bedrijf
- DHet totale bedrag dat je aan een aankoop uitgeeft, inclusief belastingen en kosten
3.Makkelijk
Volgens de wet van de vraag geldt, als de prijs van een normaal goed stijgt (ceteris paribus):
- ADe gevraagde hoeveelheid daalt
- BDe gevraagde hoeveelheid stijgt
- CHet aanbod daalt
- DDe vraaglijn verschuift naar rechts
4.Gemiddeld
Een land heeft 950 werkenden en 50 werklozen die werk zoeken. Het werkloosheidspercentage is:
- A5%
- B50%
- C95%
- D5,3%
5.Gemiddeld
Als de vraag naar een product prijsinelastisch is, zal een prijsverhoging:
- ADe gevraagde hoeveelheid tot nul terugbrengen
- BDe totale omzet verlagen
- CDe totale omzet ongewijzigd laten
- DDe totale omzet verhogen
6.Gemiddeld
Een sterke stijging van de olieprijs op de wereldmarkt die tot hogere inflatie leidt, is een voorbeeld van:
- ADeflatie
- BBestedingsinflatie (demand-pull)
- CDesinflatie
- DKosteninflatie (cost-push)
7.Moeilijk
Een liquiditeitsval is een situatie waarin:
- ABanken geen geld meer hebben om uit te lenen
- BDe centrale bank de rente sterk verhoogt om hoge en snel stijgende inflatie te bestrijden
- CDe inflatie zeer hoog is en stijgt
- DDe rente bijna nul is en verdere monetaire verruiming weinig effect heeft op de vraag
8.Moeilijk
Volgens de prospecttheorie (Kahneman en Tversky) zullen mensen doorgaans:
- AAltijd de verwachte geldwaarde maximaliseren
- BVerliezen sterker voelen dan even grote winsten
- CRisico verkiezen bij winsten van elke grootte
- DVerliezen en winsten van dezelfde grootte als even belangrijk behandelen
Antwoordenblad
- 1. D · Ten minste één productiefactor vastligt
- 2. B · De waarde van het beste alternatief dat je opgeeft bij een keuze
- 3. A · De gevraagde hoeveelheid daalt
- 4. A · 5%
- 5. D · De totale omzet verhogen
- 6. D · Kosteninflatie (cost-push)
- 7. D · De rente bijna nul is en verdere monetaire verruiming weinig effect heeft op de vraag
- 8. B · Verliezen sterker voelen dan even grote winsten
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.