1.Makkelijk
Volgens de wet van de vraag geldt, als de prijs van een normaal goed stijgt (ceteris paribus):
- ADe gevraagde hoeveelheid daalt
- BDe gevraagde hoeveelheid stijgt
- CHet aanbod daalt
- DDe vraaglijn verschuift naar rechts
2.Makkelijk
Een progressieve belasting is een belasting waarbij:
- AIedereen hetzelfde bedrag aan belasting betaalt
- BHet deel van het inkomen dat aan belasting wordt betaald stijgt naarmate het inkomen stijgt
- CHet betaalde deel van het inkomen daalt naarmate het inkomen stijgt
- DIedereen hetzelfde percentage van het inkomen betaalt
3.Makkelijk
Een begrotingstekort ontstaat als:
- ADe overheidsuitgaven in een jaar hoger zijn dan de overheidsinkomsten
- BDe totale staatsschuld daalt
- CDe kosten van een bedrijf hoger zijn dan de opbrengsten
- DDe waarde van de import in een jaar hoger is dan de waarde van de export
4.Gemiddeld
Het nominale bbp groeide met 5% en de bbp-deflator steeg met 2%. Het reële bbp groeide met ongeveer:
- A10%
- B2,5%
- C3%
- D7%
5.Gemiddeld
Een Nash-evenwicht is een situatie waarin:
- AGeen speler zijn opbrengst kan verbeteren door alleen zelf van strategie te veranderen, gegeven de strategieën van de anderen
- BEén speler heeft gewonnen en de anderen hebben verloren
- CDe spelers via een bindend contract afspreken samen te werken, zodat hun gezamenlijke uitbetaling zo groot mogelijk is
- DAlle spelers de hoogst mogelijke totale opbrengst behalen
6.Gemiddeld
Een maximumprijs onder de evenwichtsprijs veroorzaakt meestal:
- AEen toename van het aanbod
- BEen overschot
- CEen tekort
- DGeen verandering op de markt
7.Moeilijk
De Marshall-Lernervoorwaarde stelt dat een depreciatie van de munt de handelsbalans verbetert als:
- ADe rente tegelijkertijd stijgt
- BDe som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1
- CHet land een begrotingsoverschot heeft
- DExport en import een prijselasticiteit van nul hebben
8.Moeilijk
Het probleem van tijdsinconsistentie in het monetair beleid (Kydland en Prescott) is een belangrijk argument voor:
- AHet volledig afschaffen van centrale banken
- BOverheden die de rente rechtstreeks vaststellen, vooral vóór verkiezingen
- COnafhankelijke centrale banken met een geloofwaardige verplichting tot lage inflatie
- DHet vastzetten van de geldhoeveelheid op nulgroei
Antwoordenblad
- 1. A · De gevraagde hoeveelheid daalt
- 2. B · Het deel van het inkomen dat aan belasting wordt betaald stijgt naarmate het inkomen stijgt
- 3. A · De overheidsuitgaven in een jaar hoger zijn dan de overheidsinkomsten
- 4. C · 3%
- 5. A · Geen speler zijn opbrengst kan verbeteren door alleen zelf van strategie te veranderen, gegeven de strategieën van de anderen
- 6. C · Een tekort
- 7. B · De som van de prijselasticiteiten van de vraag naar export en import groter is dan 1
- 8. C · Onafhankelijke centrale banken met een geloofwaardige verplichting tot lage inflatie
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.