Hoeveel echte deelverzamelingen heeft A = {1, 2, 3, 4, 5} (deelverzamelingen anders dan A zelf)? Noem het aantal N.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {1, 2, 3, 4, 5}
N =
2.Makkelijk
Precies één gebied van het venndiagram is de verzameling (A′ ∩ B) ∩ (B − A). Klik op zijn nummer.
(A′ ∩ B) ∩ (B − A)
- 1gebied 1
- 2gebied 2
- 3gebied 3
- 4gebied 4
3.Gemiddeld
R = {(1, 2), (2, 3), (3, 1), (3, 2)} is een relatie op {1, 2, 3}. Wat is het kleinste aantal k geordende paren dat aan R moet worden toegevoegd om haar reflexief te maken?
R = {(1, 2), (2, 3), (3, 1), (3, 2)}
k =
4.Gemiddeld
Elk getal in het venndiagram is het aantal elementen in dat gebied. Bepaal |(A − C′) ∪ (A − B)|.
|U| = 57
|(A − C′) ∪ (A − B)| =
5.Moeilijk
Het pijlendiagram toont een functie f: A → B met A = {1, 2, 3} en B = {a, b}. Klik op de beschrijving die bij f past.
f = {(1, a), (2, a), (3, b)}
- 1injectief, niet surjectief
- 2surjectief, niet injectief
- 3bijectief
- 4geen van beide
6.Moeilijk
Hoeveel symmetrische relaties zijn er op een verzameling met 2 elementen? Noem het aantal N.
|X| = 2
N =
Antwoordenblad
- 1. N = 31
- 2. gebied 2
- 3. k = 3
- 4. |(A − C′) ∪ (A − B)| = 24
- 5. surjectief, niet injectief
- 6. N = 8
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.